De vertraging in 't verschynen van dezen druk is aan my te wyten, en waarlyk niet aan myn zeer voortvarenden uitgever. Het blyft evenwel twyfelachtig of 't woord: wyten goed gekozen is? Recht tot verwyt immers veronderstelt schuld, en ik vraag of dit van toepassing wezen kan op myn byna onverwinnelyken tegenzin om, bladzy voor bladzy, woord voor woord, letter voor letter, op-nieuw het treurig drama te doorleven, dat aan dit boek het aanzyn gaf? Dit boek! Iets anders immers ziet de lezer er niet in. My evenwel zyn deze bladen 'n hoofdstuk uit m'n leven … my was de korrektie 'n marteling, één marteling! Telkens ontviel de pen m'n hand, telkens schemerde my 't oog by 't herlezen der —nog altyd onvolmaakte en verzachte!—schets van wat er uit meer dan vyf-en-twintig jaar geleden voorviel in 't vroeger onbekende plekje gronds dat Lebak heet. En dieper nog was de indruk van treurigheid by 't bedenken van wat er uit sedert ruim twintig jaren op de uitgaaf van 't boek Havelaar gevolgd is. Gedurig wierp ik de proefbladen terzyde, en trachtte het oog myner ziel te richten op minder tragische voorwerpen dan die welke Havelaars tot-nog-toe onbekroond streven my voor den geest roept. Weken en soms maanden lang—myn uitgever kan 't getuigen!—had ik den moed niet, de my gezonden proefvellen intezien. By vallen en staan ben ik nu de korrektie doorgeworsteld, een korrektie die me meer kost dan 't schryven zelf. In den winter van 1859 immers, toen ik, gedeeltelyk in een kamertje zonder vuur, gedeeltelyk aan een waggelend en smerig herbergtafeltje te Brussel, omringd van goedmoedige maar tamelyk onaesthetische faro drinkers, m'n Havelaar schreef, meende ik iets te zullen bewerken, iets uitterichten, iets tot stand te brengen. De hoop gaf me moed, de hoop maakte my hier-en-daar welsprekend. Nog herinner ik my den indruk die me bezielde toen ik aan háár schreef: m'n boek is af, m'n boek is af! Nu zal alles weldra goed gaan! Vier lange, vier moeielyke jaren had ik doorgeworsteld—en vruchteloos verloren, helaas!—in pogingen om zonder publiciteit, zonder opzien, zonder schandaal vooral, iets te bewerken dat tot verbetering zou kunnen leiden van den toestand waaronder de Javaan gebukt gaat. De ellendige Van Twist die, voor 't minst zoo er eenig besef van eer en plicht in hem huisde, m'n natuurlyke bondgenoot had moeten zyn, was niet te bewegen geweest 'n hand uittesteken. De brief dien ik tot hem richtte, is ontelbare malen gepubliceerd, en bevat nagenoeg alles wat in de Havelaarszaak de hoofdmomenten uitmaakt. De man heeft nooit geantwoord, nooit blyk gegeven van welwillendheid om zooveel mogelyk te herstellen wat door zyn schuld bedorven is. Door die gewetenlooze lauwheid ten-laatste gedwongen tot publiciteit, tot het kiezen van een anderen weg dan ik tot dien tyd toe betrad, wees verontwaardiging my eindelyk de middelen aan om te bereiken wat onbereikbaar scheen: een oogenblik gehoor. Wat de luie Van Twist niet wilde toestaan, wist ik aftepersen van de Natie: de Havelaar werd gelezen, men … hoorde my. Helaas, hooren en verhooren is twee! Dat boek was "mooi" verzekerde men, en als de schryver eens weer zoo'n vertellinkje had …
Search
Author(s)
- Multatuli (auteur)