Deze dwaling … doch genoeg hiervan. Zéker is 't, dat ik van zoo'n naïf-wreede Jokrissiade geen voorgevoel had toen ik zoo verheugd uitriep m'n boek is af, m'n boek is af! De overtuiging dat ik waarheid zeide, dat ik gedaan had wat ik bezig was te schryven, en het voorbyzien hoe 't lezend en luisterend Publiek zoo gewoon is geraakt aan cant, aan zinledige praatjes, aan byna doorgaande tegenstelling van zeggen en doen … dit alles vervulde my in 1859 met zooveel hoop als inderdaad noodig was om 't pynlyk schryven van den Havelaar mogelyk te maken. Maar thans, nu me twintig jaar later al te voldoende gebleken is dat de Natie party trekt vóór de Van Twisten en konsorten—d.i. voor schelmery, roof en moord—tegen my, d.i. tegen Recht, Menschlievendheid en wèlbegrepen Staatkunde, nu viel my 't behandelen dezer bladen oneindig zwaarder nog dan in 1859, al zy 't dan dat ook toen reeds de pynlyke bitterheid herhaaldelyk dreigde de overhand te nemen. Hier-en-daar komt ze—op bladz. 131, byv. (zie de alinea die begint met: "Maar weet ge dan niet", M.D.)—hoe gaarne ook teruggehouden, voor den dag. Wie overigens begeert m'n stemming te kennen by de oprakeling der herinneringen die 't gebeurde te Lebak en wat daarop gevolgd is, in my opwekt, wordt verwezen naar m'n eerste brochure over Vryen-arbeid.(*)
Search
Author(s)
- Multatuli (auteur)