§ Aanteekeningen en ophelderingen Max Havelaar

Er zyn in den laatsten tyd schryvers opgestaan, die me verwyten dat ik niets of niet genoeg heb uitgericht, niets of niet genoeg veranderd, niets of niet genoeg tot-stand gebracht. Straks zal ik terugkomen op de bron waaruit zulke beschuldigingen voortkomen. Wat de zaak zelf aangaat … ik erken volmondig dat er in Indie niets verbeterd is. Maar … veranderd? De lieden die, eerst onmiddelyk na den Havelaar, en vervolgens uit kracht van ons armzalig grondwettelyk baskule-systeem, gebruik maken van de door dat boek opgewekte beweging om zich op 't kussen te zetten, hebben niets gedaan dan veranderen. Dit moest immers wel? Hun staatkunstenmakersmétier bracht het mee. Het gedeeltelyk onbekwame, gedeeltelyk niet zeer intègre volkje dat na '60 "naar boven viel uit gebrek aan zwaarte" begreep dat er iets gedaan moest worden, al deden ze liever 't goede niet, dat dan ook—dit erken ik mèt hen—maar zelfmoord zou gesmaakt hebben. Recht-doen aan den mishandelden Javaan was gelyk beteekenend met Havelaars verheffing, en dit ware den meesten een vonnis.(*) Toch moest er schyn geleverd worden van werkzaamheid in nieuwe richting, en aan 't van verontwaardiging "rillend" Volk werd gedurig een been toegeworpen, niet waarlyk om den honger naar verbetering te stillen, maar om de kaken in bezigheid te houden, al ware 't dan ook maar met vermeend ekonomisch-politisch gewawel. De regeermannen wierpen aan hun kieskollegien, krantenfabrikeurs en verder koffihuispubliek successievelyk de kluifjes toe, die ik eens-voor-al doopte met den naam van duitenplatery. "Vrye-arbeid" was jaren lang—en vóór den Havelaar reeds—de hoofdschotel, de pièce de résistance van 't verraderlyk menu. Ter afwisseling dienden de heeren hun onnoozelen gasten opgeworpen kwestien over 't Indisch muntstelsel toe. Daarop volgden de kadaster-kwestie, de Preanger-kwestie, de kultuur- emolument-kwestie, de komptabiliteits- kwestie, agrarische- wetkwestie, de partikuliere-grondbezitkwestie, en nog een-en-ander van dien aard. De eene nieuwe wet volgde op de andere, en telkens wisten de mannen en place—behoudend of liberaal, om 't even! —aan 't Volk diets te maken dat de eenig mogelyke ontknooping van de door allen erkende moeielykheid nu eigenlyk en eindelyk geheel alleen in 't allerlaatst voorgesteld heilmiddeltje lag. Heusch, nu zou 't probaat wezen!

Search
Author(s)