§ Aanteekeningen en ophelderingen Max Havelaar

8. Wettig eigendom van den Havelaar. Droogstoppel voelde berouw dat-i den onnoozelen Sjaalman z'n recht op eigen werk niet ontfutseld had. Waarschynlyk kwam me by 't schetsen van den huichelenden schelm, deze trek noodig voor. En zie, ik wist niet dat ik hier—in zeer beperkten zin altoos—profeet was. Juist op de manier die Droogstoppel hier betreurt niet gevolgd te hebben, is de beschikking over 't boek Havelaar in andere handen overgegaan. De my aangeboden en eigenlyk opgedrongen ondersteuning die strekken zou om me zes maanden rust teverschaffen na m'n ellendig omzwerven, en om den uitslag van m'n pleidooi aftewachten, is gebruikt als voorwendsel om den Havelaar zóó te behandelen dat het pleidooi z'n kracht verloor. En dit geschiedde opzettelyk. In een aan my gerichten "Brief" verklaart de heer Van Lennep: dat hy 't populair worden van m'n arbeid wilde tegengaan, hy die met zooveel vertoon van vurige sympatie my verzocht had de uitgaaf daarvan aan hem optedragen! Toch ben ik aan de rechtvaardigheid verplicht den lezer te waarschuwen tegen zekere vereenzelviging van den heer V.L. met den afzichtelyken Droogstoppel. Toen V.L. begon zich met de Havelaarszaak intelaten, was-i oprecht. Maar gaande-weg begon hy berouw te voelen, en z'n zwakheid nam zóó de overhand dat-i weldra liever my verraadde—'t moet hem zéér gedaan hebben, want slecht was-i niet!—dan in zyn kring doortegaan voor den beschermer eener zaak die, zeer ten onrechte, werd uitgekreten voor iets revolutionnairs. Men zie over dit alles, blz. 17 van Vrye-arbeid, uitgaaf 1873, en de Noot op Idee 289.

Search
Author(s)