101. Het was in die dagen (1843) dat ik de "Bruid daarboven" schreef. Dit stuk werd nog onlangs in den Haag, te Rotterdam, en elders opgevoerd. Een van die voorstellingen woonde ik by, en m'n aandoeningen waren zeer gemengd. Het wederzien van dien arbeid uit m'n jeugd, van nu byna veertig jaar geleden, wekte meer herinneringen in my op dan m'n gemoed verslikken kon. En dan 't nagaan van alles wat er in en om my voorviel gedurende dat lange tydvak van m'n gevuld leven! Doch dit gaat den lezer niet aan. Met het oog evenwel op den ouderdom van dat stuk heb ik 'n vraag te doen die, meen ik, sommige lezers wèl aangaat. Is de toon dien heden-ten-dage zekere publicisten tegen my aanslaan, wel in overeenstemming met den eerbied dien we gewoon zyn toetekennen aan ancienneteit in rang? Vindt men 't getal letter- vruchten die in onzen stoomtyd meer dan het derde deel eener eeuw beleven, zóó groot dat elk rekruut my mag toespreken comme le premier venu? Hoe ikzelf over die "Bruid" oordeel, is bekend, maar 't stuk is toch minstens even goed als de Emilia Galotti, als de Kabale und Liebe, als de Minna van Barnhelm als de larmoyante komedies en Lustspiele van Kotzebue, die nog altyd op 't repertoire staan. In-allen-gevalle blykt er uit, hoe ik m'n tyd doorbracht in de dagen toen 'n groot deel van hen die me tegenwoordig als hun gelyke meenen te mogen behandelen, nog—en misschien niet eens nog!—op de schoolbanken zaten. Suum cuique, heeren! (Zie hierover de noten 65 en 115.)
Search
Author(s)
- Multatuli (auteur)