§ Aanteekeningen en ophelderingen Max Havelaar

104. Ik meen hier blyken te geven dat de eischen der kunst ten-aanzien van de maat der optewekken aandoeningen, of liever van de daartoe strekkende middelen, my eenigszins bekend waren. Ook beweer ik in den Havelaar zelf (zie, byv. blz. 288)(zie alinea met: "Ik heb 't slot der geschiedenis van Saïdjah …", M.D.) my aan die eischen te hebben gehouden. Juist omdat ik minder akeligheid schilder dan uit de geschetste omstandigheden blykt voorttevloeien, is de indruk der Saïdjah-epizode zoo algemeen en zoo diep geweest, en alzoo is de beschuldiging van "overdryving" een fout op 't gebied der kritiek. Dit wat kunstbesef aangaat. En wat de feiten betreft die in den Havelaar vermeld worden, ook daarin blyf ik beneden de waarheid. Ik roerde niets aan dan wat ik—thans nog!—bewyzen kan, en dus volstrekt nog 't ergste niet. Wie nu, om den indruk van m'n pleidooi te ontzenuwen, z'n toevlucht neemt tot de afgezaagde en goedkoope beschuldiging dat ik "overdreven" heb—in den grond eigenlyk slechts 'n oneerlyk-vermomd erkennen van de waarheid!—gelieve te zeggen: wat, waarin, hoe, in-hoe-ver? Hiertoe dan ook sommeerde ik herhaaldelyk Duymaer van Twist, den man die beter dan iemand by-machte wezen moest my tegentespreken, indien er iets op myn beweringen viel aftedingen. Hy evenwel durfde niet eens van "overdryving" spreken, en bepaalde zich tot het verwyt dat ik zooveel talent had—in zyn oog 'n fout zeker—en dat-i zwygen zou uit vrees voor den schyn van partydigheid. En met zulke jongensachtige uitvluchten namen Kamer en Natie genoegen! Is dit Recht, Nederlanders?

Search
Author(s)