182. In 'n bataviasche courant werd me verweten dat ik by den heer Brest van Kempen afstapte. Wel, ik deed dit op zyn uitdrukkelyk verzoek, en 't was van myn kant 'n edelmoedigheid. De man vreesde voor oproer, waartoe inderdaad reden was. Reeds te Lebak had ik al m'n invloed noodig om de bevolking in rust te houden, waarop dan ook in m'n laatsten brief aan den kontroleur gedoeld wordt. Het zou 'n verkeerden indruk hebben gemaakt, indien ik by 't verlaten van Bantam blyk had gegeven in onmin met den Resident te zyn, wat dan ook werkelyk het geval niet was. Maar zeker zou dit wèl 't geval geweest zyn, indien ik toen al de motieven had gekend die hem bewogen moordenaars en dieven de hand boven 't hoofd te houden. Gelyk uit den Havelaar blykt, dacht ik slechts aan een door gewoonte verwrongen plichtbesef van de soort als ik sedert jaren overal ontmoet had. Later evenwel ontdekte ik dat het ontzien van den "geest des gouvernements" in dit byzonder geval samenhing met 'n indruk van nog lager soort, van … de allerlaagste soort! Het lust me niet, my daarover op dit oogenblik uittelaten. Misschien is de gewezen minister van kolonien Hasselman genegen den belangstellenden onderzoeker nauwkeuriger intelichten. Ook kan deze staatsdienaar—een myner voorgangers te Lebak—getuigen of ik de beschuldiging van "overdryving" in 't schetsen van den toestand dier provincie verdien? Hy zal erkennen dat ik beneden de waarheid bleef.
Search
Author(s)
- Multatuli (auteur)