Er was des morgens te tien ure een ongewone beweging op den grooten weg
die de afdeeling Pandeglang verbindt met Lebak[10] "Groote weg" is
misschien wat veel gezegd voor 't breed voetpad dat men, uit beleefdheid
en by-gebrek aan beter, de "weg" noemde. Maar als men met een vierspannig
rytuig vertrok van Serang, de hoofdplaats der residentie Bantam, met
het voornemen zich te begeven naar Rangkas-Betoeng, de nieuwe hoofdplaats
van 't Lebaksche, kon men nagenoeg zeker zyn, te-eeniger-tyd daar
aantekomen. 't Was dus een weg. Wel bleef men gedurig steken in den modder,
die in de Bantamsche laaglanden zwaar, kleierig en klevend is, wel was
men telkens genoodzaakt de hulp interoepen van de bewoners der naastby
gelegen dorpen—ook al waren ze niet zéér naby, want de dorpen zyn niet
menigvuldig in die streken—maar als men er dan eindelyk in geslaagd was,
een twintigtal landbouwers uit den omtrek by-een te krygen, duurde het
gewoonlyk niet zeer lang, voor men paard en wagen weder op vasten grond
had gebracht. De koetsier klapte met de zweep, de loopers—in Europa zou
men, geloof ik, zeggen "palfreniers" of liever, er bestaat in Europa niets
wat met deze loopers overeenkomt—die onvergelykbare loopers dan, met hun
korte dikke zweepjes, huppelden weer aan de zyde van het vierspan, kreschen
onbeschryfelyke geluiden, en sloegen de paarden ter-aanmoediging onder
den buik. Zóó hoste men dan eenigen tyd voort, tot het verdrietig oogenblik
weer daar was, dat men tot over de assen wegzonk in den modder. Dan begon
het geroep om hulp op-nieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en …
sukkelde verder.🔗
Dikwyls, als ik dien weg langs ging, was 't my als zou ik hier of daar
een wagen vinden met reizigers uit de vorige eeuw, die in den modder
gezakt, en vergeten waren. Maar dit is me nooit voorgekomen. Ik
veronderstel dus dat allen die ooit dezen weg langs kwamen, eindelyk zyn
aangeland waar ze wezen wilden.🔗
Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van den geheelen grooten
weg op Java, een denkbeeld vormde naar den maatstaf van dien weg in
't Lebaksche. De eigenlyke heirbaan met zyn vele zytakken, die de
maarschalk Daendels met groote opoffering van volk deed aanleggen[11]
is inderdaad een prachtig stuk werks, en men staat verbaasd over de
geestkracht van den man die, ondanks alle bezwaren welke zyn benyders
en tegenstanders in 't moederland hem in den weg legden, den onwil der
bevolking en de ontevredenheid der hoofden durfde trotsen, om iets
tot-stand te brengen, dat thans nog de bewondering van iederen bezoeker
opwekt en verdient.🔗
Geen paardenpostery dan ook in Europa—zelfs niet in Engeland, Rusland
of Hongarye—kan met die op Java worden gelyk gesteld. Over hooge
bergruggen, langs diepten die u doen yzen, vliegt de zwaar bepakte
reiswagen in één galop voort. De koetsier zit als op den bok genageld,
uren, ja, gansche dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met yzeren
arm. Hy weet juist te berekenen waar en hoeveel hy de hollende paarden
moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan
dien hoek …🔗
—Myn God, de weg is … weg! We gaan in een afgrond, gilt de onervaren
reiziger, daar is geen weg … daar is de diepte!🔗
Ja, zoo schynt het. De weg kromt zich, en juist als één galopsprong
verder, vasten grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de
paarden, en slingeren het voertuig den hoek om. Ze vliegen de berghoogte
op, die ge een oogenblik vroeger niet zaagt, en … de afgrond ligt
achter u.🔗
Er zyn, by zulke gelegenheid, oogenblikken dat de wagen alleen rust op
de raderen aan de buitenzyde van den boog dien ge beschryft: de
middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van den grond geheven.
Er behoort koelbloedigheid toe, de oogen niet te sluiten, en wie voor
't eerst op Java reist, schryft aan zyn familie in Europa, dat hy in
levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er te-huis behoort, lacht om
dien angst.🔗
Het is myn doel niet, vooral niet in het begin van myn vertelling, den
lezer lang bezig te houden met het beschryven van plaatsen, landschappen
of gebouwen. Ik vrees te zeer hem afteschrikken door wat zweemen zou
naar langdradigheid, en eerst later, als ik gevoel dat hy voor my
gewonnen is, als ik uit blik en houding bemerk dat het lot van de heldin
die ergens van 't balkon eener vierde verdieping springt, hem belang
inboezemt, dan laat ik, met stoute verachting van alle wetten der
zwaartekracht, haar zweven tusschen hemel en aarde, tot ik myn hart heb
lucht gegeven in de nauwkeurige schets der schoonheden van het
landschap, of van 't gebouw dat daar ergens schynt geplaatst te zyn om
een voorwendsel aan de hand te doen tot een veelbladzydig vertoog over
middeleeuwsche architektuur. Al die kasteelen gelyken op elkaar.
Onveranderlyk zyn ze van heterogeene bouworde. Het corps de logis
dagteekent altyd van eenige regeeringen vroeger dan de aanhechtsels die
onder dezen of genen lateren koning daarby zyn gevoegd. De torens zyn in
vervallen staat …🔗
Waarde lezer, er zyn geen torens. Een toren is een denkbeeld, een droom,
een ideaal, een verzinsel, onverdragelyke grootspraak! Er zyn halve
torens, en … torentjes.🔗
De geestdryvery die torens meende te moeten zetten op de gebouwen die
opgericht werden ter-eere van dezen of genen heilige, duurde niet lang
genoeg om ze te voleinden, en de spits die de geloovigen naar den hemel
moet wyzen, rust, gewoonlyk een paar omgangen te laag, op de massieve
bazis, 'tgeen denken doet aan den man zonder dyen op de kermis. Alleen
torentjes, kleine naaldjes op dorpskerken, zyn afgewerkt.🔗
Het is waarlyk niet vleiend voor de westersche beschaving, dat zelden
het denkbeeld om een groot werk tot-stand te brengen, zich lang genoeg
heeft kunnen staande houden om dat werk voleind te zien. Ik spreek nu
niet van ondernemingen welker afwerking noodig was om de kosten te
dekken. Wie juist weten wil wat ik bedoel, ga den Dom te Keulen zien. Hy
geve zich rekenschap van de grootsche opvatting van dat gebouw, in de
ziel des bouwmeesters Gerhard von Riehl … van 't geloof in de harten
des volks, dat hem in-staat stelde dat werk aantevangen en voorttezetten
… van den invloed der denkbeelden die zùlk een kolos noodig hadden om
als zichtbare voorstelling te dienen van het ongezien godsdienstig
gevoel … en hy vergelyke deze overspanning met de richting, die eenige
eeuwen later het oogenblik deed geboren worden, waarop men 't werk staakte.🔗
Er ligt een diepe kloof tusschen Erwin van Steinbach en onze bouwmeesters!
Ik weet dat men sedert jaren bezig is deze kloof te dempen. Ook te Keulen
bouwt men weder aan den Dom. Maar zal men den afgebroken draad weer kunnen
aanhechten? Zal men terugvinden in onze dagen, wat toen de kracht
uitmaakte van kerkvoogd en bouwheer? Ik geloof het niet. Geld zal wel te
bekomen zyn, en hiervoor is steen en kalk te-koop. Men kan den kunstenaar
betalen, die een plan ontwerpt, en den metselaar die de steenen legt. Maar
niet voor geld te-koop is 't verdwaald en toch eerbiedwaardig gevoel dat
in een bouwontwerp een dichtstuk zag, een dichtstuk van graniet, dat luid
sprak tot het volk, een dichtstuk in marmer, dat dáár stond als een
onbewegelyk voortdurend eeuwig gebed.🔗
Op de grens tusschen Lebak en Pandeglang dan, was op zekeren morgen
een ongewone beweging. Honderden gezadelde paarden bedekten den weg, en
duizend menschen voor 't minst—wat veel was voor die plek—liepen in
bedryvig wachten heen-en-weer. Hier zag men de hoofden der dorpen, en
de distriktshoofden uit het Lebaksche, allen met hun gevolg, en te
oordeelen naar den schoonen bastert-arabier die in zyn ryk tuig op den
zilveren watertrens knabbelde, was ook een hoofd van hoogeren rang op
deze plaats aanwezig. Dit was dan ook het geval. De Regent van Lebak,
Radhen Adhipatti Karta Natta Negara[12] had met groot gevolg
Rangkas-Betoeng, verlaten, en ondanks zijn hoogen ouderdom de twaalf
of veertien palen afgelegd, die zyn woonplaats scheiden van de grenzen
der naburige afdeeling Pandeglang.🔗
Er werd een nieuwe adsistent-resident verwacht, en het gebruik, dat in
Indie meer dan ergens kracht van wet heeft, wil dat de beambte die met
het bestuur eener afdeeling belast is, feestelyk worde ingehaald by zyn
aankomst. Ook de kontroleur, een man van middelbaren leeftyd, die sedert
eenige maanden na den dood van den vorigen adsistent-resident, als
eerstopvolgende in rang het bestuur had waargenomen, was daar tegenwoordig.🔗
Zoodra het tydstip der komst van den nieuwen adsistent-resident bekend
was, had men in-aller-yl een pendoppo doen oprichten, een tafel en
eenige stoelen daarheen gebracht, en eenige ververschingen gereed gezet.
In deze pendoppo wachtte de Regent met den kontroleur de aankomst van
den nieuwen chef af.🔗
Na een hoed met breeden rand, een regenscherm, of een hollen boom, is
een pendoppo zeker de eenvoudigste uitdrukking van het denkbeeld:
dak. Verbeeld u vier of zes bamboezen palen in den grond geslagen, die
aan de boveneinden met elkander verbonden zyn door andere bamboes,
waarop een deksel is vastgehecht van de lange bladen van den waterpalm,
die in deze streken atap heet, en ge zult u dusdanige pendoppo
kunnen voorstellen. Het is, zooals ge ziet, zoo eenvoudig mogelyk, en
het moest hier dan ook slechts dienen als pied à terre voor de
europesche en inlandsche beambten die daar hun nieuw opperhoofd kwamen
verwelkomen aan de grenzen.🔗
Ik heb me niet volkomen juist uitgedrukt, toen ik den adsistent-resident
het opperhoofd, ook van den Regent, noemde. Een uitweiding over 't
mechanismus van het bestuur in deze landstreken is hier, tot juist begrip
van hetgeen volgen zal, noodzakelyk.[13]🔗
Het dusgenaamd Nederlandsch Indie—'t adjektief nederlandsch komt me
eenigszins onnauwkeurig voor, doch 't werd officieel aangenomen[14]—is,
wat de verhouding van het moederland tot de bevolking aangaat, te
splitsen in twee zeer verschillende hoofddeelen. Een gedeelte bestaat
uit stammen welker vorsten en vorstjes de opperheerschappy van Nederland
als suzerein erkend hebben, doch waarby nog altyd het rechtstreeksch
bestuur, in meer of minder mate gebleven is in handen van de ingeboren
Hoofden zelf. Een ander gedeelte, waartoe—met een zeer kleine, wellicht
maar schynbare, uitzondering—geheel Java behoort, is rechtstreeks
onderworpen aan Nederland. Van cyns of schatting of bondgenootschap is
hier geen spraak. De Javaan is nederlandsch onderdaan. De Koning van
Nederland is zyn koning. De afstammelingen zyner vorige vorsten en
heeren zyn nederlandsche beambten. Ze worden aangesteld, verplaatst,
bevorderd, door den Gouverneur-generaal die in-naam van den Koning
regeert. De misdadiger wordt veroordeeld en gevonnisd naar een wet die
van 's Gravenhage is uitgegaan. De belasting die de Javaan opbrengt,
vloeit in de schatkist van Nederland.🔗
Van dit gedeelte slechts der nederlandsche bezittingen, dat alzoo
inderdaad deel uitmaakt van het Koningryk der Nederlanden, zal in deze
bladen hoofdzakelyk sprake zyn.🔗
Den Gouverneur-generaal staat een Raad ter-zyde, die echter op zyn
besluiten geen beslissenden invloed heeft. Te Batavia zyn de
onderscheidene bestuurstakken verdeeld in "departementen" aan welker
hoofd Direkteuren geplaatst zyn, die den schakel uitmaken tusschen het
opperbestuur van den Gouverneur-generaal en de Residenten in de
provincien. By behandeling evenwel der zaken van politieken aard,
wenden zich deze beambten rechtstreeks tot den Gouverneur-generaal.🔗
De benaming Resident is herkomstig uit den tyd toen Nederland nog
slechts middelyk als leenheer de bevolking beheerschte, en zich
aan de hoven der nog regeerende Vorsten door Residenten liet
vertegenwoordigen. Die Vorsten bestaan niet meer, en de residenten
zyn, als gewestelijke Gouverneurs of Praefecten, bestuurders van
landschappen geworden. Hun werkkring is veranderd, doch de naam
is gebleven.🔗
Het zyn deze residenten, die eigenlyk het nederlandsch gezag tegenover
de javaansche bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch den
Gouverneur-generaal, noch de Raden van Indie, noch, de Direkteuren te
Batavia. Het kent slechts den Resident, en de beambten die onder hem
het besturen.🔗
Een dusdanige residentie—er zyn er, die byna een millioen zielen
bevatten—is verdeeld in drie, vier of vyf afdeelingen of
regentschappen, aan welker hoofd Adsistent-Residenten geplaatst zyn.
Onder dezen weder wordt het bestuur uitgeoefend door kontroleurs,
opzieners en een tal van andere beambten die noodig zyn voor de inning
der belastingen, voor het toezicht over den landbouw, voor het oprichten
van gebouwen, voor de waterstaats-werken, voor de policie en voor het
rechtswezen.🔗
In elke afdeeling staat een inlandsch hoofd van hoogen rang met den
titel van Regent, den adsistent-resident ter-zyde. Zoodanig Regent,
hoewel zyn verhouding tot het bestuur en zyn werkkring geheel die is van
een bezoldigd beambte, behoort altyd tot den hoogen adel des lands, en
dikwyls tot de familie der vorsten die vroeger in dat landschap of in de
nabuurschap onafhankelyk geregeerd hebben. Zeer staatkundig wordt alzoo
gebruik gemaakt van hun alouden feodalen invloed—die in Azie over 't
geheel van groot gewicht is, en by de meeste stammen als punt van
godsdienst wordt aangemerkt—dewyl door het benoemen dezer hoofden tot
beambten, een hierarchie wordt geschapen, aan welker spits het
nederlandsch gezag staat, dat door den Gouverneur-generaal wordt
uitgeoefend.🔗
Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de Ryks-, Mark-, Gau-, en
Burggraven van het duitsche Ryk evenzoo door den Keizer aangesteld, en
meestal gekozen uit de Baronnen? Zonder uitweiding over den oorsprong
des adels, die geheel in de natuur ligt, wensch ik toch plaats te geven
aan de opmerking hoe in òns werelddeel en ginds in 't verre Indie,
dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hadden. Een land moet op verren
afstand geregeerd worden, en hiertoe zyn beambten noodig, die 't
centraaal gezag vertegenwoordigen. Onder het stelsel van militaire
willekeur, kozen de Romeinen hiertoe de Praefecten, in den aanvang
gewoonlyk de bevelhebbers der legioenen die 't bedoelde land hadden
ten-onder gebracht. Zulke landstreken bleven dan ook: provincien, dat
is: wingewesten. Maar toen later het centraal gezag des duitschen Ryks
behoefte voelde, eenig ver gelegen volk aan zich te binden op andere
wyze dan door stoffelyk overwicht alleen, zoodra een verwyderde streek
werd beschouwd als door gelykheid in afkomst, taal en gewoonten tot het
Ryk te behooren, deed zich de noodzakelykheid gevoelen, iemand met de
leiding der zaken te belasten, die in dat land te-huis behoorde niet
alleen, maar door zyn stand boven zyn medeburgers in die streken
verheven was, opdat de gehoorzaamheid aan de bevelen des Keizers,
gemakkelyk werde door de samengaande neiging tot onderwerping aan hem
die met de uitvoering dezer bevelen belast was. Hierdoor werden dan
tevens geheel of gedeeltelyk de uitgaven vermeden, voor een staand leger
ten-laste der algemeene staatskas, of, zooals meestal geschiedde,
ten-laste van de gewesten zelf, die door zoodanig leger moesten bewaakt
worden. Zoo werden de eerste Graven gekozen uit de Baronnen des lands,
en strikt genomen is dus 't woord graaf geen adellyke titel, doch
slechts de benaming van een met zeker ambt belasten persoon. Ik geloof
dan ook dat in de middeleeuwen de meening gold, dat de duitsche Keizer
wel 't recht had, graven, d.i. landschapsbestuurders, en hertogen,
d.i. heiraanvoerders, te benoemen, doch dat de Baronnen beweerden, wat
hun geboorte aangaat, aan den Keizer gelyk te zyn en alleen van God
aftehangen, behoudens de verplichting den Keizer te dienen, voor-zoo-ver
deze met hun toestemming, en uit hun midden gekozen was. Een graaf
bekleedde een ambt waartoe hem de Keizer had geroepen. Een baron
beschouwde zich als baron "door de genade Gods." De graven
vertegenwoordigden den Keizer, en voerden als zoodanig diens banier,
d.i. den Standaard van het Ryk. Een baron bracht volk op de been onder
zyn eigen vaan, als baanderheer.🔗
De omstandigheid nu, dat graven en hertogen gewoonlyk uit de baronnen
werden gekozen, bracht te-weeg dat zy het gewicht hunner betrekking in
de schaal legden by den invloed dien zy aan hun geboorte ontleenden, en
hieruit schynt later, vooral toen men aan de erfelykheid dezer
betrekkingen was gewoon geraakt, de voorrang ontstaan te zyn, dien deze
titels hadden boven dien van baron. Nog heden-ten-dage zou menige
vryheerlyke familie—zonder keizerlyk of koninklyk patent, dat is een
zoodanige familie, die haren adel afleidt van het ontstaan des lands,
die altyd van adel was omdat ze van adel was—autochthoon—een
verheffing tot den gravenstand, als derogeerend afwyzen. Er zyn
voorbeelden van.🔗
De personen die met het bestuur van zoodanig graafschap belast waren,
trachtten natuurlyk van den Keizer te verkrygen dat hun zoons, of,
by-gebreke daarvan, andere bloedverwanten, hen in hun betrekking zouden
opvolgen. Dit geschiedde dan ook gewoonlyk, schoon ik niet geloof dat
ooit het recht op deze opvolging organisch is erkend geworden, althans
wat deze beambten in de Nederlanden aangaat, by-voorbeeld, de graven
van Holland, Zeeland, Henegouwen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant,
Gelderland, enz. Het was in den beginne een gunst, weldra een gewoonte,
en ten-slotte een noodzakelykheid, maar nooit werd deze erfelykheid wet.🔗
Nagenoeg op gelyke wyze—wat de keus der personen aangaat, daar hier
geen spraak is van gelykheid in werkkring, hoewel ook in dit opzicht
zekere overeenstemming in 't oog valt—staat aan het hoofd eener
afdeeling op Java, een inlandsch beambte die den hem door het
gouvernement gegeven rang met zijn autochthoonen invloed verbindt,
om aan den europeschen ambtenaar die 't nederlandsch gezag
vertegenwoordigt, het bestuur gemakkelyk te maken. Ook hier is de
erfelykheid, zonder door een wet vastgesteld te zyn, tot een gewoonte
geworden. Reeds by het leven van den Regent is deze zaak meestal
geregeld, en 't geldt als een belooning voor dienstyver en trouw, indien
men hem de toezegging geeft dat hy in zijn betrekking door zyn zoon zal
worden opgevolgd. Er moeten al zeer gewichtige redenen bestaan, voor er
van dezen regel wordt afgeweken, en waar dit het geval wezen mocht,
kiest men toch gewoonlyk den opvolger uit de leden van dezelfde familie.🔗
De verhouding tusschen europesche ambtenaren, en dusdanige hooggeplaatste
javaansche grooten, is van zeer kieschen aard. De adsistent-resident
eener afdeeling is de verantwoordelyke persoon. Hy heeft zyn instruktien,
en wordt verondersteld het hoofd der afdeeling te zyn. Dit belet echter
niet dat de Regent, door plaatselyke kennis, door geboorte, door invloed
op de bevolking, door geldelyke inkomsten en hiermede overeenstemmende
levenswyze, ver boven hem verheven is. Bovendien is de Regent, als
vertegenwoordiger van 't javaansch element eener landstreek, en
verondersteld wordende te spreken uit naam der honderd- of meer duizend
zielen, die zyn regentschap bevolken, ook in de oogen van 't Gouvernement
een veel belangryker persoon, dan de eenvoudige europesche beambte,
wiens ontevredenheid niet behoeft gevreesd te worden, daar men voor hem
vele anderen in de plaats bekomen kan, terwyl de minder goede stemming van
een Regent wellicht de kiem zou kunnen worden van beroering of opstand.🔗
Uit dit alles vloeit dus de vreemde omstandigheid voort, dat eigenlyk de
mindere den meerdere beveelt. De adsistent-resident gelast den
Regent, hem opgaven te doen. Hy gelast hem, volk te zenden tot het
arbeiden aan bruggen en wegen. Hy gelast hem, belastingen te doen innen.
Hy roept hem op, zitting te nemen in den landraad, waarin hy
adsistent-resident voorzit. Hy berispt hem, waar hy schuldig is aan
plichtverzuim. Deze zeer eigenaardige verhouding wordt alleen mogelyk
gemaakt door uiterst beleefde vormen, die evenwel noch hartelykheid,
noch, waar 't noodig blyken mocht, strengheid behoeven uittesluiten en
ik geloof dat de toon die in deze verhouding heerschen moet, vry wel
wordt aangegeven in 't officieel voorschrift dienaangaande: de
europesche ambtenaar hebbe den inlandschen beambte die hem ter-zyde
staat, te behandelen als zyn jonger broeder.🔗
Maar hy vergete niet dat deze jonger broeder by de ouders zeer bemind
—of gevreesd—is, en dat, by voorkomend geschil, zyn meerdere jaren
zouden worden in rekening gebracht als beweegreden om hem euvel te nemen
dat hy zyn jonger broeder niet met meer inschikkelykheid of takt
behandelde.🔗
De aangeboren hoffelykheid van den javaanschen groote—zelfs de geringe
Javaan is veel beleefder dan zyn europesche standgenoot—maakt evenwel
deze schynbaar moeielyke verhouding dragelyker dan ze anders wezen zou.🔗
De Europeaan zy wel-opgevoed en kiesch, hy gedrage zich met vriendelyke
waardigheid, en kan dan zeker zyn dat de Regent van zyn kant hem 't
bestuur gemakkelyk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekenden vorm
geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het verschil in stand, geboorte,
rykdom, wordt uitgewischt door den Regent zelf, die den Europeaan, als
vertegenwoordiger des Konings van Nederland, tot zich opheft, en
ten-slotte is een verhouding die, oppervlakkig beschouwd, botsing moest
te weeg brengen, zeer dikwyls de bron van een aangenaam verkeer.🔗
Ik zeide dat dusdanige Regenten ook door rykdom den voorrang hadden
boven den europeschen ambtenaar, en dit is natuurlyk. De Europeaan, als
hy geroepen wordt tot het besturen eener provincie die in oppervlakte
met vele duitsche hertogdommen gelyk staat, is gewoonlyk iemand van
middelbaren of meer dan middelbaren leeftyd, gehuwd en vader. Hy
bekleedt een ambt om den broode. Zyn inkomsten zyn juist voldoende, en
zelfs vaak niet voldoende, om aan de zynen het noodige te verschaffen.
De Regent is: Tommongong, Adhipatti, ja zelfs Pangerang, d.i.
javaansch prins. De vraag is voor hem niet dat hy leve, hy moet zóó
leven als 't volk gewoon is dit te zien van zyn aristokratie. Waar de
Europeaan een huis bewoont, is dikwyls zyn verblyf een Kratoon,
met vele huizen en dorpen daarin. Waar de Europeaan ééne vrouw heeft
met drie, vier kinderen, onderhoudt hy een tal van vrouwen met wat
daarby behoort. Waar de Europeaan uitrydt, gevolgd door eenige
beambten, niet meer dan er by zyn inspektiereis noodig zyn tot het geven
van inlichtingen onder-weg, wordt de Regent vergezeld door de honderden
die tot het gevolg behooren, dat in de oogen des volks onafscheidelyk is
van zyn hoogen rang. De Europeaan leeft burgerlyk, de Regent leeft
—of wordt verondersteld te leven—als een vorst.🔗
Doch dit alles moet betaald worden. Het nederlandsch bestuur dat zich
op den invloed van die Regenten gegrondvest heeft, weet dit, en niets is
dus natuurlyker dan dat het hun inkomsten heeft opgevoerd tot een hoogte
die den niet-Indier overdreven zou voorkomen, maar inderdaad zelden
voldoende is ter bestryding van de uitgaven welke aan de levenswyze van
zoodanig inlandsch Hoofd verbonden zyn. Het is niet ongewoon, Regenten
die twee-ja driemaal honderd duizend gulden 's jaars inkomen hebben, in
geldverlegenheid te zien verkeeren. Hiertoe draagt veel by de, als 't
ware vorstelyke, onverschiligheid waarmee zy hun inkomsten verspillen,
hun nalatigheid in 't bewaken hunner ondergeschikten, hun koopziekte, en
vooral het misbruik—dat dikwyls van deze hoedanigheden gemaakt wordt
door Europeanen.🔗
De inkomsten der javaansche Hoofden zou men in vier deelen kunnen
splitsen. Vooreerst, het bepaald maandgeld. Vervolgens, een vaste som
als schadeloosstelling voor afgekochte rechten die overgegaan zyn op 't
nederlandsch bestuur. Ten-derde, een belooning in evenredigheid met de
hoeveelheid der in hun regentschap voortgebrachte produkten, als koffi,
suiker, indigo, kaneel, enz. En eindelyk, de willekeurige beschikking
over den arbeid en de eigendommen hunner onderhoorigen.🔗
De beide laatste bronnen van inkomsten vorderen eenige opheldering. De
Javaan is uit den aard der zaak landbouwer. De grond waarop hy geboren
werd, die veel belooft voor weinig arbeids, lokt hem hiertoe uit, en
vooral is hy met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zyner
rystvelden, waarin hy dan ook zeer bedreven is. Hy groeit op te-midden
zyner sawah's en gagah's en tipar's[15] vergezelt reeds op zeer
jeugdigen leeftyd zyn vader naar 't veld, waar hy hem behulpzaam is in
den arbeid met ploeg en spade, aan dammen en aan waterleidingen tot het
bevochtigen zyner akkers. Hy telt zyn jaren by oogsten, hy rekent den
tyd naar de kleur zyner te veld staande halmen, hy voelt zich te-huis
onder de makkers die met hem padie sneden[16] hy zoekt zyn vrouw onder
de meisjes der dessah[17] die 's avends onder vroolyk gezang de ryst
stampen om ze te ontdoen van den bolster … het bezit van een paar
buffels die zyn ploeg zullen trekken, is 't ideaal dat hem aanlacht …
kortom, de rystbouw is voor den Javaan, wat in de Rynstreken en in het
zuiden van Frankryk, de wynoogst is.🔗
Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van
het land. Ze wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van den
bodem, en gelastten den bewoner een gedeelte van zyn arbeid en van zyn
tyd toetewyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst
zouden afwerpen op de markten van Europa. Om den geringen man hiertoe
te bewegen, was niet meer dan een zeer eenvoudige staatkunde noodig. Hy
gehoorzaamt zyn hoofden, men had dus slechts deze hoofden te winnen door
hun een gedeelte van de winst toetezeggen, en … het gelukte volkomen.🔗
Als men let op de ontzettende massa javasche produkten die in Nederland
worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het doeltreffende
dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want, mocht iemand vragen
of de landbouwer zelf eene met deze uitkomst evenredige belooning
geniet, dan moet ik hierop een ontkennend antwoord geven. De Regeering
verplicht hem op zyn grond aantekweeken wat haar behaagt, ze straft
hem wanneer hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan wien het ook zy
buiten háár, en zyzelf bepaalt den prys dien ze hem daarvoor
uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa, door bemiddeling van
een bevoorrecht handelslichaam, zyn hoog. De aan de Hoofden toegelegde
aanmoedigingsgelden bezwaren daarentegen den inkoopprys, en … daar
toch ten-slotte de geheele zaak winst afwerpen moet, kan deze winst
niet anders worden gevonden dan door juist zóóveel aan den javaan
uittebetalen, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende
kracht der natie verminderen zou.🔗
Ook aan de europesche beambten wordt een belooning uitbetaald in
evenredigheid met de opbrengst.[18]🔗
Wel wordt dus de arme Javaan voorgezweept door dubbel gezag, wel wordt
hy dikwyls afgetrokken van zyn rystvelden, wel is hongersnood vaak 't
gevolg van deze maatregelen, doch … vroolyk wapperen te Batavia, te
Samarang, te Soerabaja, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te
Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen
worden met de oogsten die Nederland ryk maken.🔗
Hongersnood? Op het ryke vruchtbare gezegende Java, hongersnood?
Ja, lezer. Voor weinige jaren zyn geheele distrikten uitgestorven van
honger.[19] Moeders boden hun kinderen te-koop voor spyze. Moeders
hebben hun kinderen gegeten …🔗
Maar toen heeft zich 't moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen
der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de
toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding
der dusgenaamde europesche-marktprodukten voortaan niet weder zou
voortzetten tot hongersnood toe …🔗
Ik ben daar bitter geworden. Wat zoudt ge denken van iemand die zulke
zaken kon neerschryven zonder bitterheid?🔗
My blyft over te spreken van de laatste en voornaamste soort der
inkomsten van inlandsche hoofden: het willekeurig beschikken over
personen en eigendommen hunner onderhoorigen.🔗
Volgens het algemeen begrip in byna geheel Azie, behoort de onderdaan
met al wat hy bezit, aan den vorst. Dit is ook op Java het geval, en de
afstammelingen of verwanten der vroegere vorsten maken gaarne gebruik
van de onkunde der bevolking, die niet recht begrypt dat haar
Tommongong of Adhipatti of Pangerang thans een bezoldigd
ambtenaar is die zyn eigen en hare rechten voor een bepaald inkomen
verkocht heeft, en dat dus de schraal beloonde arbeid in koffituin of
suikerveld, in de plaats getreden is van de belastingen die vroeger door
de heeren des lands van de opgezetenen gevorderd werden. Niets is dus
gewoner dan dat honderde huisgezinnen van verren afstand worden
opgeroepen om zonder betaling velden te bewerken, die den Regent
toebehooren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van
levensmiddelen ten-behoeve der hofhouding van den Regent. En wanneer
die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, den buffel, de
dochter, de vrouw, van den geringen man, zou men 't ongehoord vinden,
als deze den onvoorwaardelyken afstand van het begeerd voorwerp weigerde.🔗
Er zyn Regenten, die van zoodanige willekeurige beschikkingen een matig
gebruik maken, en niet meer van den geringen man vorderen, dan tot het
ophouden van hun rang volstrekt noodig is. Anderen gaan iets verder, en
geheel-en-al ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook moeielyk
ja onmogelyk, zoodanig misbruik geheel uitteroeien, daar het diep
geworteld is in den aard der bevolking zelf die er onder lydt. De Javaan
is gul, vooral waar het te doen is om een bewys te geven van gehechtheid
aan zyn Hoofd, aan den afstammeling van hen wien zyn vaderen gehoorzaamden.
Ja, hy zou meenen te-kort te doen aan den eerbied dien hy aan zyn erfelyken
heer verschuldigd is, wanneer hy zonder geschenken diens kratoon betrad.
Zulke geschenken zyn dan ook dikwyls van zoo weinig waarde, dat het afwyzen
iets vernederends zou in zich sluiten, en vaak is alzoo deze gewoonte
eerder te vergelyken met de hulde van een kind dat zyn liefde tot den vader
tracht te uiten door 't aanbieden van een klein geschenk, dan optevatten
als schatting aan dwingelandsche willekeur.🔗
Maar … aldus wordt door een lief gebruik, de afschaffing van misbruik
belemmerd. Indien de aloen-aloen[20] voor de woning van den Regent in
verwilderden staat lag, zou de nabywonende bevolking hierover beschaamd
wezen, en er ware veel gezags noodig om haar te beletten dat plein van
onkruid te reinigen, en het te brengen in een staat die met den rang des
Regents overeenstemt. Hiervoor eenige betaling te geven, zou algemeen als
een beleediging worden aangemerkt. Maar naast dien aloen-aloen, of elders,
liggen Sawah's die op den ploeg wachten, of op een leiding die het water
daarheen moet voeren, dikwyls van mylen ver … deze Sawah's behooren den
Regent. Hy roept, om zyn velden te bewerken of te besproeien, de bevolking
van gansche dorpen op, wier eigen Sawah's evenzeer behoefte hebben aan
bearbeiding … ziedaar het misbruik.🔗
Dit is aan de Regeering bekend, en wie de staatsbladen leest, waarin de
wetten, instruktien en handleidingen voor de ambtenaren bevat zyn, juicht
de menschlievendheid toe, die by het ontwerpen daarvan schynt te hebben
voorgezeten. Alom wordt den Europeaan, met gezag in de binnenlanden
bekleed, als een zyner duurste verplichtingen op 't hart gedrukt, de
bevolking te beschermen tegen haar eigen onderworpenheid en de hebzucht
der Hoofden. En, als ware het niet genoeg, deze verplichting voorteschryven
in 't algemeen, er wordt nog van de adsistent-residenten, by de
aanvaarding van 't bestuur eener afdeeling, een afzonderlyke eed
gevorderd, dat zy deze vaderlyke zorg voor de bevolking zullen beschouwen
als een eersten plicht.🔗
Dit is voorzeker een schoone roeping. Rechtvaardigheid voortestaan, den
geringe te beschermen tegen den machtige, den zwakke te beschutten tegen
de overmacht van den sterke, het ooilam van den arme terug te vorderen
uit de stallen des vorstelyken roovers … zie, 't is om 't hart te doen
gloeien van genot, by 't denkbeeld dat men geroepen is tot iets zóó
schoons! En wie in de javasche binnenlanden soms ontevreden moge zyn met
standplaats of belooning, hy sla het oog op den verheven plicht die op
hem rust, op 't heerlyk genoegen dat de vervulling van zulk een plicht
met zich brengt, en hy zal geen andere belooning begeeren.🔗
Maar … gemakkelyk is deze plicht niet. Vooreerst hebbe men juist te
beoordeelen, waar het gebruik heeft opgehouden om voor misbruik
plaats te maken? En … waar het misbruik bestaat, waar inderdaad roof
of willekeur gepleegd is, zyn veelal de slachtoffers zelf hieraan
medeplichtig, hetzy uit te ver gedreven onderwerping, hetzy uit vrees,
hetzy uit wantrouwen op den wil of de macht der persoon die hen
beschermen moet. Ieder weet dat de europesche beambte elk oogenblik
kan geroepen worden tot een andere betrekking, en dat de Regent, de
machtige Regent, dáár blyft. Voorts zyn er zoo véél manieren om zich
het eigendom van een arm onnoozel mensch toeteëigenen! Als een
mantrie[21] hem zegt dat de Regent zyn paard begeert, met dit gevolg
dat het begeerde dier weldra plaats heeft gekregen in de stallen van den
Regent, bewyst zulks nog volstrekt niet dat deze niet van voornemen
was—o, zeker!—daarvoor een hoogen prys te betalen … te-eeniger-tyd.
Als honderden arbeiden op de velden van een Hoofd, zonder daarvoor
betaling te ontvangen, volgt hieruit geenszins dat hy dit liet
geschieden ten zynen behoeve. Had niet zyn bedoeling kunnen zyn, hun
den oogst overtelaten uit de menschlievende berekening dat zyn grond
beter gelegen was, vruchtbaarder dan de hunne, en dus hun arbeid milder
beloonen zou?🔗
Bovendien, vanwaar haalt de europesche beambte de getuigen die den moed
hebben een verklaring te doen tegen hun heer, den gevreesden Regent? En,
waagde hy een beschuldiging, zonder die te kunnen bewyzen, waar blyft
dan de verhouding van ouder broeder, die in zulk geval zyn jongeren
broeder zonder grond zou hebben gekrenkt in zyn eer? Waar blyft de
gunst van de Regeering, die hem brood geeft voor dienst, maar hem dat
brood opzegt, hem ontslaan zou als onbekwaam, wanneer hy een zoo
hooggeplaatst persoon als een Tommongong, Adhipatti of Pangerang had
verdacht of aangeklaagd met ligtvaardigheid?🔗
Neen, neen, gemakkelyk is die plicht niet! Dit blykt reeds hieruit, dat
de neiging der inlandsche Hoofden om de grens van 't geoorloofd
beschikken over arbeid en eigendom hunner onderhoorigen te overschryden,
overal volmondig erkend wordt … dat alle adsistent-residenten den eed
doen die misdadige hebbelykheid te-keer te gaan, en … dat toch slechts
zeer zelden een Regent wordt aangeklaagd wegens willekeur of misbruik
van gezag.🔗
Er schynt dus wel een byna-onoverkomelyke moeielykheid te bestaan, om
gevolg te geven aan den eed: "de inlandsche bevolking te beschermen
tegen uitzuiging, en knevelary."🔗