—Beste Max, zei Tine, ons dessert is zoo schraal. Zou je niet … je
weet wel … Madame Geoffrin?[96]🔗
—Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben heesch. De
beurt is aan Verbrugge.🔗
—Ja, m'nheer Verbrugge! Lost u Max wat af, verzocht mevrouw Havelaar.🔗
Verbrugge bedacht zich even, en begon:🔗
—Er was eens een man, die een kalkoen stal …🔗
—O, deugniet, riep Havelaar, dat heb je van Padang! En hoe is 't
verder?🔗
—'t Is uit. Wie kent het slot van die historie?🔗
—Wèl, ik! Ik heb hem opgegeten, samen met …iemand. Weet je waarom
ik te Padang, gesuspendeerd was?🔗
—Men zei dat er een deficit was in uw kas te Natal, hernam Verbrugge.🔗
—Dit was niet geheel onwaar, doch waar was 't ook niet. Ik was te
Natal door allerlei oorzaken heel slordig geweest in myn geldelyke
verantwoording, waarop inderdaad veel aanmerkingen te maken waren. Maar
dit viel in die dagen zoo dikwyls voor! De omstandigheden in de Noord
van Sumatra waren kort na 't innemen van Baroes, Tapoes en Singkel
zóó verward, alles was zóó onrustig, dat men het een jong mensch, die
liever te-paard zat dan dat hy geld telde of kasboeken byhield, niet
kwalyk nemen kon dat alles niet zoo ordelyk en geregeld ging als men zou
kunnen vorderen van een amsterdamschen boekhouder die niet anders te
doen heeft. De Battahlanden waren in roering, en je weet, Verbrugge, hoe
altyd alles wat in de Battahs gebeurt, terugwerkt op 't Natalsche. Ik
sliep 's nachts geheel gekleed om spoedig by-dehand te zyn, wat dan ook
dikwyls noodig was. Daarby heeft het gevaar—eenigen tyd voor myn komst
was er een komplot ontdekt, om myn voorganger te vermoorden en opstand
te maken—het gevaar heeft iets aantrekkelyks, vooral wanneer men
slechts twee-en-twintig jaren oud is. Dit aantrekkelyke maakt dan iemand
wel eens ongeschikt voor bureauwerk of voor de styve nauwkeurigheid die
noodig is tot goed beheer van geldzaken. Bovendien, ik had allerlei
gekheden in 't hoofd …🔗
—Traoessa?[97] riep mevrouw Havelaar een bediende toe.🔗
—Wàt hoeft niet?🔗
—Ik had gezegd nog iets gereed te maken in de keuken … een omelet of
zoo-iets.🔗
—Ah! En dat hoeft niet meer nu ik van myn gekheden begin? je bent
ondeugend, Tine! 't Is my wel, maar die heeren hebben ook een stem.
Verbrugge, wat kies je, je aandeel in de omelet of de historie?🔗
—Dat is een moeielyke pozitie voor een beleefd mensch zei Verbrugge.🔗
—En ook ik zou liever niet kiezen, voegde Duclari er by, want het is
hier te doen om een uitspraak tusschen m'nheer en mevrouw, en: entre
l'écorce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt.🔗
—Ik zal u helpen, heeren, de omelet is …🔗
—Mevrouw, zei de zeer beleefde Duclari, de omelet zal toch wel zooveel
waard zyn als …🔗
—Als de historie? Zeker als ze wat waard was! Doch er is een bezwaar
…🔗
—Ik wed dat er nog geen suiker in huis is, riep Verbrugge. Och, laat
toch by my halen wat ge noodig hebt!🔗
—Suiker is er … van mevrouw Slotering. Neen, daaraan hapert het niet.
Als de omelet overigens goed was, zou dat geen bezwaar zyn, maar …🔗
—Hoe dan, mevrouw, is ze in 't vuur gevallen?🔗
—Ik wou dat het waar was! Neen, ze kan niet in 't vuur vallen Ze is …🔗
—Maar, Tine, riep Havelaar, wat is ze dan toch?🔗
—Ze is imponderabel, Max, als je vrouwen te Arles … wezen moesten! Ik
heb geen omelet … ik heb niets meer!🔗
—Dan in 's hemelsnaam de historie! zuchtte Duclari met koddige wanhoop.🔗
—Maar koffi hebben we, riep Tine.🔗
—Goed! Koffidrinken in de voorgalery, en laat ons mevrouw Slotering met
de meisjes daarby roepen, zei Havelaar, waarop 't kleine gezelschap naar
buiten toog.🔗
—Ik gis dat ze bedanken zal, Max! je weet dat ze ook liever niet met
ons eet, en ik kan haar geen ongelyk geven.🔗
—Ze zal gehoord hebben dat ik histories vertel, zei Havelaar, en dat
heeft haar afgeschrikt.🔗
—Wel neen, Max, dat zou haar niet deren: ze verstaat geen hollandsch.
Neen, ze heeft my gezegd dat ze haar eigen huishouding wil blyven
voeren, en dit begryp ik heel goed. Weet je nog hoe je myn naam
vertaald hebt?🔗
—E.H.V.W: eigen haard veel waard.🔗
—Daarom! Ze heeft groot gelyk. Bovendien, ze komt me wat menschenschuw
voor. Verbeeld je dat zy alle vreemden die 't erf betreden, laat
wegjagen door de oppassers …🔗
—Ik verzoek om de historie of de omelet, zei Duclari.🔗
—Ik ook! riep Verbrugge. Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben
aanspraak op een volledig maal, en daarom eisch ik de geschiedenis van
den kalkoen.🔗
—Die heb ik je reeds gegeven, zei Havelaar. Ik had het beest gestolen
van den generaal Vandamme, en heb 't opgegeten … met iemand.🔗
—Voor die "iemand" ten-hemel voer, zei Tine schalk.🔗
—Neen, dat is tricheeren: riep Duclari. We moeten weten waarom ge dien
kalkoen … weggenomen hebt.🔗
—Wèl, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van den generaal
Vandamme die me gesuspendeerd had.🔗
—Als ik er niet meer van te weten kryg, breng ik een volgenden keer
zelf een omelet mee, klaagde Verbrugge.🔗
—Geloof me, er stak niets meer achter dan dàt. Hy had zeer véél
kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren voorby myn deur … ik
nam er een, en zei tot den man die zich verbeeldde er op te passen: "zeg
den generaal dat ik, Max Havelaar, dezen kalkoen neem omdat ik
eten wil."🔗
—En dan dat epigram?🔗
—Heeft Verbrugge je daarvan gesproken?🔗
—Ja.🔗
—Dat had niets met den kalkoen uittestaan. Ik maakte dat ding omdat hy
zooveel ambtenaren suspendeerde. Er waren er op Padang zeker zeven of
acht die hy met meer of min rechtvaardigheid in hun ambten geschorst
had, en velen onder hen verdienden 't veel minder dan ik. De
adsistent-resident van Padang zelf was gesuspendeerd, en wel om een
reden die, naar ik geloof, een geheel andere was dan de in het besluit
opgegevene. Ik wil u dat wel vertellen, schoon ik niet verzekeren kan
dat ik alles juist weet, en alleen òverzeg wat men in de chinesche
kerk[98] te Padang voor waar hield, en wat dan ook—vooral met het
oog op de bekende eigenschappen van den generaal—waar kan
geweest zyn.🔗
Hy had, moet ge weten, zyn vrouw getrouwd om een weddingschap te winnen,
en daarmee een anker wyn. Hy ging dus dikwyls 's avends uit, om …
overal rondteloopen. De surnumerair Valkenaar moet eens in een straatje
naby 't meisjesweeshuis zyn inkognito zóó stipt geëerbiedigd hebben, dat
hy hem een pak slaag heeft gegeven even als een gewonen
straatschender. Niet ver van daar woonde Miss X. Er liep een gerucht
dat die Miss 't leven zou gegeven hebben aan een kindje, dat …
verdwenen was. De adsistent-resident was als hoofd der politie
verplicht, en ook inderdaad van plan, zich met die zaak te bemoeien, en
schynt van dit voornemen iets gezegd te hebben op een whistparty by den
generaal. Doch zie, den volgenden dag ontvangt hy den last zich naar
zekere Afdeeling te begeven, welker gezagvoerende kontroleur wegens ware
of veronderstelde oneerlykheid geschorst was in zyn beheer, om in loco
zekere zaken te onderzoeken en daarvan "te dienen van bericht." Wèl was
de adsistent-resident verwonderd dat hem iets werd opgedragen dat zyn
Afdeeling in 't geheel niet aanging, doch daar hy strikt genomen deze
opdracht kon beschouwen als een vereerende onderscheiding, en dewyl hy
met den generaal op zeer vriendschappelyken voet stond zoodat hy geen
oorzaak had aan een valstrik te denken, berustte hy in deze zending, en
begaf zich naar ik wil vergeten hebben waarheen, om te doen wat hem
bevolen was. Na eenigen tyd keert hy terug, en biedt een verslag aan dat
niet ongunstig luidde voor dien kontroleur. Doch ziet, er was gedurende
dien tyd op Padang, door 't publiek—dat is: door niemand en
iedereen—ontdekt dat die ambtenaar slechts gesuspendeerd was om een
gelegenheid te scheppen den adsistent-resident van de plaats te
verwyderen, ten-einde zyn voorgenomen onderzoek naar de verdwyning van
dat kind te voorkomen, of althans te verschuiven tot een tydstip dat die
zaak moeielyker zou optehelderen zyn. Ik herhaal nu dat ik niet weet of
dit waar was, doch naar de kennis die ikzelf later van den generaal
Vandamme opdeed, komt deze lezing van 't geval my geloofbaar voor. Op
Padang was er niemand die hem niet—wat het peil aangaat, waartoe zyn
zedelykheid was afgedaald—tot zoo-iets in-staat keurde. De meesten
kenden hem slechts één goede hoedanigheid toe, die van onverschrokkenheid
in 't gevaar, en indien ik, die hem in gevaar gezien heb, van meening ware
dat hy après tout een dapper man was, zou dit alleen my bewegen u deze
geschiedenis niet te vertellen. 't Is waar, hy had op Sumatra veel laten
"sabreeren" doch wie sommige gebeurtenissen van naby gezien had[99] voelde
neiging om wat aftedingen op zyn dapperheid, en, hoe vreemd het schyne,
ik geloof dat hy zyn krygsmansroem grootendeels te danken had aan de zucht
tot tegenstelling, die ons allen min of meer bezielt. Men zegt gaarne:
't is waar dat Peter of Paul dit, dit of dit is, maar … dàt is
hy, dàt moet men hem laten! En nooit kan men zoo zeker zyn geprezen te
worden, dan wanneer men een zeer in 't oog vallend gebrek heeft. Jy,
Verbrugge, bent alle dagen dronken …🔗
—Ik? vroeg Verbrugge die een voorbeeld was van matigheid.🔗
—Ja, ik maak je nu dronken, alle dagen! je vergeet je zóó ver, dat
Duclari 's avends in de galery over je struikelt. Dit zal hy onaangenaam
vinden, maar terstond zal hy zich herinneren iets goeds in je gezien te
hebben dat hem toch vroeger niet in 't oog viel. En als ik dan kom, en
ik vind je zoo erg … horizontaal, dan zal hy my de hand op den arm
leggen, en uitroepen—"och, geloof toch dat hy overigens zoo'n beste
brave knappe jongen is!"🔗
—Dat zeg ik tòch van Verbrugge, riep Duclari, al is hy vertikaal.🔗
—Niet met dat vuur en die overtuiging! Herinner je eens hoe dikwyls men
hoort zeggen: "o, als die man op zyn zaken wilde passen, dàt zou
iemand wezen! Maar … en dan volgt het betoog hoe hy niet op zyn
zaken past en dus niemand is. Ik geloof hiervan de reden te weten. Ook
van de dooden verneemt men altyd goede hoedanigheden waarvan we vroeger
niets bemerkten. De oorzaak zal wel zyn dat ze niemand in den weg
staan. Alle menschen zyn min of meer mededingers. We zouden gaarne èlk
ander geheel en in alles onder ons plaatsen. Dit echter te uiten,
verbiedt de goede toon en zelfs het eigenbelang, want zeer spoedig zou
niemand ons gelooven ook al beweerden wy iets waars. Er moet dus een
omweg gezocht worden, en ziet hier hoe we dit doen. Als gy, Duclari,
zegt: "de luitenant Slobkous is een goed soldaat, waarachtig hy is een
goed soldaat, ik kan je niet genoeg zeggen welk een goed soldaat de
luitenant Slobkous is … maar een theoretikus is hy niet …🔗
Heb je niet zoo gezegd, Duclari?🔗
—Ik heb nooit een luitenant Slobkous gekend of gezien?🔗
—Goed, schep er dan een, en zeg dat van hem.🔗
—Wèl, ik schep hem, en zeg het.🔗
—Weet je wat ge nu gezegd hebt? Je hebt gezegd dat jy, Duclari, à
cheval bent op de theorie. Ik ben geen haar beter. Geloof me, we doen
onrecht zoo boos te worden op iemand die heel slecht is, want de goeden
onder ons zyn 't slechte zoo na! Laat eens de volmaaktheid nul heeten,
en honderd graden voor slecht gelden, hoe verkeerd doen we dan—wy, die
dobberen tusschen acht-en negen-en-negentig!—haro te roepen over
iemand die op honderd-en-één staat! En nog geloof ik dat velen dien
honderdsten graad slechts niet bereiken uit gemis aan goede
eigenschappen, aan moed by-voorbeeld om geheel te zyn wat men is.🔗
—Op hoeveel graden sta ik, Max?🔗
—Ik heb een loep noodig voor de onderdeelen, Tine.🔗
—Ik reklameer, riep Verbrugge—neen, mevrouw, niet tegen uwe nabyheid
aan de nul!—neen, maar er zyn ambtenaren gesuspendeerd, er is een kind
zoek, een generaal in staat van beschuldiging … ik vraag: la pièce!🔗
—Tine, zorg toch dat er een volgenden keer wat in huis is! Neen,
Verbrugge, je krygt la pièce niet, voor ik nog een beetje heb
rondgereden op myn stokpaardje over de tegenstellingen. Ik zei dat elk
mensch in zyn medemensch een soort van konkurrent ziet. Men mag niet
altyd laken—wat in 't oog vallen zou!—daarom verheffen wy gaarne een
goede eigenschap bovenmate, om de kwade hoedanigheid aan welker
openbaring ons eigenlyk alleen gelegen is, te doen in het oog vallen,
zonder den schyn op ons te laden van partydigheid. Als iemand zich by my
beklaagt omdat ik gezegd heb: "zyn dochter is zeer schoon, maar hy is
een dief" dan antwoord ik: "hoe kan je dáárover zoo boos wezen! Ik heb
immers gezegd dat je dochter een lief meisjen is!" Zieje, dat wint
dubbel! Wy beiden zyn kruieniers, ik neem hem zyn klanten af, die geen
rozynen willen koopen by een dief, en te-gelyker-tyd zegt men van my dat
ik een goed mensch ben, omdat ik de dochter prys van een konkurrent.🔗
—Neen, zóó erg is 't niet, zei Duclari, dàt is wat sterk!🔗
—Dit komt u nu zoo voor, omdat ik de vergelyking wat kort en brusk
gemaakt heb. We moeten ons dat: "hy is een dief" eenigszins omzwachteld
voorstellen. De strekking der gelykenis blyft waar. Wanneer we
genoodzaakt zyn iemand zekere eigenschappen toe te kennen die aanspraak
geven op achting, eerbied of ontzag, dan doet het ons genoegen naast die
eigenschappen iets te ontdekken, dat ons van den verschuldigden cyns
voor een gedeelte of geheel ontslaat. "Voor zulk een dichter zou men
't hoofd buigen, maar … hy slaat zyn vrouw!"[100] Ziet ge, dan
gebruiken wy gaarne de blauwe plekken van die vrouw als voorwendsel om
ons hoofd overeind te houden, en in 't eind doet het ons zelfs pleizier
dat hy 't mensch slaat, wat toch anders heel leelyk is. Zoodra wy
erkennen moeten dat iemand hoedanigheden bezit die hem de eer van een
voetstuk waardig maken, zoodra we zyn aanspraken daarop niet langer
kùnnen loochenen zonder doortegaan voor onkundig, gevoelloos, of
nayverig … dan zeggen we ten-laatste: "goed, zet hem er op!" Maar
reeds onder dat opzetten, en als hyzelf nog meent dat we verrukt staan
over zyn uitstekendheid, hebben we reeds den strik gelegd in den lazzo
die dienen moet om hem by de eerste gunstige gelegenheid naar-beneden te
halen. Hoe meer mutatie onder de inhabers der voetstukken, hoe
grooter de kans voor anderen om óók eens aan de beurt te komen, en dit
is zóó waar dat wy uit gewoonte en tot oefening—even als een jager die
op kraaien schiet, welke hy toch liggen laat—ook die standbeelden
gaarne neerhalen, welker piedestal nooit door ons kan bestegen worden.
Kappelman die zich voedt met zuurkool en scharrebier, zoekt verheffing
in de klacht: "Alexander wàs niet groot … hy was onmatig" zonder dat
er voor Kappelman de minste kans bestaat ooit met Alexander te
konkurreeren in wereldverovering.🔗
Hoe dit zy, ik ben zeker dat velen nooit op 't denkbeeld zouden gekomen
zyn, den generaal Vandamme voor zoo dapper te houden, als zyn dapperheid
niet had kunnen dienen tot voertuig van 't altyd daarby gevoegde: "maar
… zyn zedelykheid!" En tevens, dat deze onzedelykheid niet zoo hoog
zou opgenomen zyn door de velen die zelf niet zoo onaantastbaar waren op
dit stuk, wanneer men ze niet had noodig gehad tot het opwegen tegen zyn
roem van dapperheid, die sommigen belette te slapen.🔗
Één eigenschap bezat hy werkelyk in hooge mate: wilskracht. Wat hy zich
voornam, moest geschieden, en geschiedde ook gewoonlyk. Doch—zie je wel
dat ik weer terstond de tegenstelling by-de-hand heb?—doch in de keuze
der middelen was hy dan ook wat … vry, en, zooals van der Palm—naar
ik geloof, ten-onrechte—van Napoléon zeide: "hinderpalen der
zedelykheid stonden hem nooit in den weg!" Nu, dan is 't zeker
gemakkelyker zyn doel te bereiken, dan wanneer men zich door zoo-iets
wèl gebonden acht.🔗
De adsistent-resident van Padang, dan had een bericht uitgebracht, dat
gunstig luidde voor dien gesuspendeerden kontroleur, wiens suspensie
hierdoor een tint van onrechtvaardigheid bekwam. De Padangsche praatjes
duurden voort: men sprak nog altyd over 't verdwenen kind. De
adsistent-resident voelde zich op-nieuw geroepen die zaak optevatten,
maar voor hy iets tot helderheid had kunnen brengen, ontving hy een
besluit waarby hy door den Gouverneur van Sumatra's Westkust werd
gesuspendeerd "wegens oneerlykheid in ambtsbetrekking." Het heette dat
hy uit vriendschap of medelyden de zaak van dien kontroleur, tegen beter
weten aan, in een valsch daglicht had gesteld.🔗
Ik heb de stukken die deze zaak betreffen, niet gelezen, maar ik weet
dat de adsistent-resident niet in de minste betrekking met dien
kontroleur stond, hetgeen reeds hieruit blykt dat men juist hem had
gekozen om die zaak te onderzoeken. Ik weet voorts dat hy een
achtenswaardig persoon was, en dat ook de Regeering hem hiervoor hield,
hetgeen blykt uit het vernietigen der suspensie, nadat de zaak elders
dan op Sumatra's Westkust onderzocht was. Ook die kontroleur is later
geheel in zyn eer hersteld geworden. Het was hun suspensie die my 't
puntdicht ingaf, dat ik op de ontbyttafel van den generaal liet
neerleggen door iemand die toen by hem, vroeger by my in dienst was.🔗
Het wandlend schorsbesluit dat schorsend ons regeert,
Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,
Had zyn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd…
Als 't niet voor langen tyd finaal reeds ware ontslagen.🔗
—Neem me niet kwalyk, m'nheer Havelaar, ik vind dat zoo-iets niet te
pas kwam, zei Duclari.🔗
—Ik ook … maar ik moest toch iets doen! Verbeeld je dat ik geen
geld had, niets ontving, en van-dag tot-dag vreesde te sterven van
honger, wat dan ook naby genoeg geweest is. Ik had weinig of geen
betrekkingen op Padang, en bovendien, ik had den generaal geschreven
dat hy verantwoordelyk was indien ik omkwam van ellende, en dat ik van
niemand hulp zou aannemen. In de binnenlanden waren er die, vernemende
hoe 't met my gesteld was, my uitnoodigden ten hunnent te komen, maar de
generaal verbood dat men my daarheen een pas zou geven. Naar Java
vertrekken mocht ik ook niet. Overal elders had ik me kunnen redden, en
misschien ook dáár als men niet zoo bevreesd ware geweest voor den
machtigen generaal. Het scheen zyn plan te zyn my te laten verhongeren.
Dat heeft negen maanden geduurd!🔗
—En hoe hebt ge u zoolang in 't leven gehouden? Of had de generaal véél
kalkoenen!🔗
—O ja! Maar dit hielp me niet … zoo-iets doet men maar ééns, niet
waar? Wat ik gedurende dien tyd uitrichtte? Och … ik maakte verzen,
schreef komedies … en zoo al voort.🔗
—En was daarvoor op Padang ryst te-koop?🔗
—Neen, maar die heb ik er ook niet voor gevraagd. Ik zeg liever niet
hoe ik geleefd heb.[101]🔗
Tine drukte hem de hand, zy wist het.🔗
—Ik heb een paar regels gelezen, die ge in die dagen zoudt geschreven
hebben achter op een kwitantie, zei Verbrugge.🔗
—Ik weet wat je bedoelt. Die regels schetsen myn pozitie. Er bestond in
die dagen een tydschrift, de Kopiist, waarop ik inteekenaar was. Het
stond onder de bescherming van de Regeering—de redakteur was ambtenaar
by de algemeene Sekretarie[102]—en hierom werden de inteekeningsgelden
in 's lands kas gestort. Men bood my een kwitantie van twintig gulden
aan. Daar nu dit geld op de bureaux van den Gouverneur moest worden
verhandeld, en dus de kwitantie, als zy onbetaald bleef, die bureaux te
passeeren had om te worden teruggezonden naar Batavia, maakte ik van die
gelegenheid gebruik om achter op dat stuk te protesteeren tegen
myn armoede:🔗
Vingt-florins… quel trésor! Adieu, littérature,
Adieu, Copiste, adieu! Trop malheureux destin:
Je meurs de faim, de froid, d'ennui et de chagrin,
Vingt florins font pour moi deux mois de nourriture!
Si j'avais vingt florins je serais mieux chaussé,
Mieux nourri, mieux logé, j'en ferais bonne chère…
Il faut vivre avant tout, soit vie de misère:
Le crime fait la honte, et non la pauvreté!🔗
Maar toen ik later te Batavia by de redaktie van den Kopiist myn
twintig gulden kwam brengen, was ik niets schuldig. Het schynt dat de
generaal zelf dat geld voor my betaald heeft, om niet gedwongen te zyn
die geillustreerde kwitantie terug te zenden naar Batavia.🔗
—Maar wat deed hy na 't … na 't … wegnemen van dien kalkoen? 't Was
toch … een diefstal! En na dat epigram?🔗
—Hy strafte me vreeselyk! Wanneer hy my voor die zaken had laten
terechtstaan als schuldig aan oneerbiedigheid jegens den Gouverneur van
Sumatra's Westkust, hetgeen in die dagen met een beetje goeden wil had
kunnen worden uitgelegd als "pooging, tot ondermyning van 't
nederlandsch gezag, en aanhitsing, tot opstand" of aan "diefstal op
den publieken weg" zou hy getoond hebben een goedhartig mensch te zyn.
Maar neen, hy strafte me beter … akelig! Aan den man die op de
kalkoenen passen moest, liet hy gelasten voortaan een anderen weg te
kiezen. En myn puntdicht … ach, dàt is nog erger zeide niets, en
deed niets! Ziet ge, dit was wreed! Hy gunde me niet het minste
martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht
niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid! O, Duclari … o,
Verbrugge …'t was om eens-voor-al te walgen van puntdichten en
kalkoenen! Zo weinig aanmoediging dooft de vlam van 't genie uit tot de
laatste vonk … inkluzief: ik heb 't nooit weer gedaan!🔗