§ Text Max Havelaar

Ja, eentonig zal ze wezen! Eentonig als 't verhaal van de werkzaamheid der mier die haar bydrage tot den wintervoorraad moet opslepen tegen den aardkluit—voor haar een berg—die er ligt op den weg naar de voorraadschuur. Telkens valt ze terug met haar vracht, om telkens weer te beproeven of ze eindelyk vasten voet zou kunnen zetten op dat steentje daar-boven … op de rots die den berg kroont. Maar tusschen haar en dien top is een afgrond die moet worden omgetrokken … een diepte die duizend mieren niet vullen zouden. Daartoe moet zy, die nauwlyks kracht heeft haar last voortteslepen op gelyken grond—een last vele malen zwaarder dan eigen lyf—dien omhoog heffen, en zich overeind houden op een bewegelyke plek. Ze moet het evenwicht bewaren als ze zich opricht met haar vracht tusschen de voorpooten. Ze moet die omslingeren in schuinsche richting naar-boven, om ze te doen neerkomen op de punt die uitsteekt aan den rotswand. Ze wankelt, waggelt, schrikt, bezwykt … tracht zich te houden aan den half ontwortelden boomstam die met zyn kruin naar de diepte wyst—een grasspriet!—ze mist het steunpunt dat ze zoekt: de boom slingert terug—de grasspriet wykt onder haren tred—ach, de tobster valt in de diepte met haar vracht. Dan is zy een oogenblik stil, wel een sekonde … dat lang is in het leven van een mier. Zou ze verdoofd wezen van pyn door haar val? Of geeft ze toe in wat droefheid dat zooveel inspanning ydel was? Maar ze verliest den moed niet. Weder grypt ze haren last, en weder sleept zy dien naar-boven, om straks nògeens, en nògeens, neertevallen in de diepte.

Search
Author(s)