Havelaar ontving een brief van den Regent van Tjanjor, waarin deze hem
meedeelde dat hy een bezoek wenschte te brengen aan zyn oom, den
Adhipatti van Lebak. Deze tyding was hem zeer onaangenaam. Hy wist
hoe de Hoofden in de Preanger Regentschappen gewoon waren een groote
weelde ten-toon te spreiden, en hoe de Tjanjorsche Tommongong zulk een
reis niet zou doen zonder een gevolg van vele honderden die allen met
hun paarden moesten geherbergd en gevoed worden. Gaarne alzoo had hy dit
bezoek verhinderd, doch hy peinsde vruchteloos op middelen die 't konden
voorkomen zonder den Regent van Rangkas-Betoeng te kwetsen, daar deze
zeer trotsch was en zich diep beleedigd zou gevoeld hebben wanneer men
zyn betrekkelyke armoede had opgegeven als beweegreden om hem niet te
bezoeken. En wanneer dit bezoek niet te ontwyken was, zou 't onmisbaar
aanleiding geven tot verzwaring van den druk waaronder de bevolking
gebukt ging.🔗
Het is te betwyfelen of Havelaars toespraak een blyvenden indruk op de
Hoofden gemaakt had. By velen was dit zeker niet het geval, waarop
hyzelf dan ook niet gerekend had. Doch even zeker is 't, dat er een roep
was opgegaan in de dorpen, dat de toewan die gezag had te
Rangkas-Betoeng, recht wilde doen, en al hadden dus zyn woorden de
kracht gemist om terugtehouden van misdaad, ze hadden toch aan de
slachtoffers daarvan den moed gegeven zich te beklagen, al geschiedde
dit dan ook slechts schoorvoetend en in 't geheim.🔗
Ze kropen 's avends door den ravyn, en als Tine in haar kamer zat, werd
ze meermalen opgeschrikt door onverwacht geruisch, en ze zag door 't
open venster donkere gedaanten die voorby slopen met schuwen tred.
Weldra schrikte ze niet meer, want ze wist wat het beduidde als die
gestalten zoo spookachtig om 't huis waarden en bescherming zochten by
haren Max! Dan wenkte zy dezen, en hy stond op om de klagers tot zich te
roepen. De meesten kwamen uit het distrikt Parang-Koedjang, waar des
Regents schoonzoon Hoofd was, en hoewel dat Hoofd gewis niet verzuimde
zyn aandeel van 't afgeperste te nemen, was het toch voor niemand een
geheim dat hy meestal roofde uit naam en ten-behoeve van den Regent. Het
was aandoenlyk hoe die arme lieden op Havelaars ridderlykheid
vertrouwden en overtuigd waren dat hy hen niet roepen zou om den
volgenden dag in 't openbaar te herhalen wat ze des nachts of den
vorigen avend in zyn kamer gezegd hadden. Dit toch ware mishandeling
geweest voor allen, en voor velen de dood! Havelaar teekende aan wat ze
zeiden, en daarna gelastte hy de klagers naar hun dorp terugtekeeren. Hy
beloofde dat er recht zou geschieden, mits zy zich niet verzetten, en
niet uitweken zooals 't voornemen was van de meesten. Meestal was hy
kort daarna op de plaats waar 't onrecht geschiedde, ja, vaak was hy
reeds daar geweest en had—gewoonlyk des-nachts—de zaak onderzocht,
voor nog de klager zelf in zyn woonstede was teruggekeerd. Zoo bezocht
hy in die uitgestrekte afdeeling, dorpen die twintig uren verwyderd
waren van Rangkas-Betoeng, zonder dat noch de Regent noch zelfs de
kontroleur Verbrugge wisten dat hy afwezig was van de hoofdplaats. Zyn
bedoeling hiermede was, 't gevaar der wraak van de klagers aftewenden en
tevens den Regent de schaamte te besparen van een openlyk onderzoek dat
gewis onder hèm niet als vroeger met een intrekking van de klacht zou
afgeloopen zyn. Zoo hoopte hy nog altyd dat de Hoofden zouden
terugkeeren van den gevaarlyken weg dien zy reeds zoolang betraden, en
hy zou in dat geval zich vergenoegd hebben met het vorderen van
schadeloosstelling aan de beroofden … voor-zoo-ver 't vergoeden der
geleden schade mogelyk wezen zou.🔗
Maar telkens nadat hy op-nieuw met den Regent had gesproken, deed hy de
overtuiging op dat de beloften van beterschap ydel waren, en hy was
bitter bedroefd over 't mislukken van zyn pogingen.🔗
We zullen hem nu eenigen tyd aan die droefheid en zyn moeielyken arbeid
overlaten, om den lezer de geschiedenis te verhalen van den Javaan
Saïdjah in de dessah Badoer. Ik kies de namen van dat dorp en dien
Javaan uit de aanteekeningen van Havelaar.[134] Er zal daarin spraak zyn
van afspersing en roof, en wanneer men—wat de hoofdstrekking aangaat
—bewyskracht mocht willen ontzeggen aan een verdichtsel, geef ik de
verzekering dat ik in-staat ben de namen optegeven van twee-en-dertig
personen in het distrikt Parang-Koedjang alleen, aan welke in één
maand tyds zes-en-dertig buffels zyn afgenomen ten-behoeve van den
Regent. Of, juister nog, dat ik de namen kan noemen van de twee-en-dertig
personen uit dat distrikt, die zich in één maand hebben durven beklagen,
en wier klacht door Havelaar onderzocht en gegrond bevonden is.🔗
Er zyn vyf zoodanige distrikten in de afdeeling Lebak …🔗
Wanneer men nu verkiest aantenemen dat het getal geroofde buffels minder
hoog was in de streken die niet de eer hadden bestuurd te worden door
een schoonzoon van den Adhipatti, wil ik dit wel toegeven, hoezeer het
de vraag blyft of niet de onbeschaamdheid van andere Hoofden op even
vaste gronden rustte als hooge verwantschap? Het distriktshoofd,
by-voorbeeld, van Tjilang-kahan aan de Zuidkust kon, by-gebreke van
een gevreesden schoonvader, steunen op de moeielykheid van 't inbrengen
eener klacht, voor arme lieden die veertig tot zestig palen hadden
afteleggen voor zy 's avends zich konden verbergen in den ravyn naast
Havelaars huis. En als men hierby acht geeft op de velen die op weg
gingen om nooit dat huis te bereiken … op de velen die niet eenmaal
vertrokken uit hun dorp, afgeschrikt als ze waren door eigen
ondervinding of door 't aanschouwen van het lot dat anderen klagers te
beurt viel, dan geloof ik dat men onrecht hebben zou in de meening dat
de vermenigvuldiging met vyf van 't getal gestolen buffels uit één
distrikt, een te hoogen maatstaf opleverde voor wie naar de statistiek
vraagt van 't getal runderen dat elke maand geroofd werd in vyf
distrikten, om te voorzien in de behoeften der hofhouding des Regents
van Lebak.🔗
En 't waren niet buffels alleen die gestolen werden, noch zelfs was
buffelroof 't voornaamste. Er is—in Indie vooral, waar nog altyd
heeredienst wettelyk bestaat—een geringer maat van onbeschaamdheid
noodig om de bevolking onwettig opteroepen tot onbetaald werk, dan er
vereischt wordt tot het wegnemen van eigendom. Het is gemakkelyker de
bevolking diets te maken dat de Regeering behoefte heeft aan haren
arbeid zonder dien te willen betalen, dan dat ze haar buffels eischen
zou om-niet. En al durfde de vreesachtige Javaan nasporen of de
zoogenaamde heeredienst dien men van hem vordert, overeenstemt met de
bepalingen daaromtrent, dan nog zou hem dit onmogelyk wezen daar de een
niet weet van den ander, en hy dus niet berekenen kan of 't vastgesteld
getal personen tien-ja vyftigvoud overschreden is? Waar dus 't meer
gevaarlyke, het lichter te ontdekken feit wordt uitgevoerd met zulke
stoutheid, wat is er dan te denken van de misbruiken die gemakkelyker
zyn aantewenden en minder gevaar loopen van ontdekking?[135]🔗
Ik zeide, te zullen overgaan tot de geschiedenis van den Javaan
Saïdjah. Vooraf echter ben ik genoodzaakt tot een der afwykingen die
zoo moeielyk kunnen vermeden worden by 't beschryven van toestanden
welke den lezer geheel vreemd zyn. Ik zal tevens daaruit aanleiding
nemen tot het wyzen op een der beletselen die 't juist beoordeelen van
indische zaken aan niet-indische personen zoo byzonder moeielyk maken.🔗
Herhaaldelyk heb ik van Javanen gesproken, en hoe natuurlyk dit den
europeschen lezer moge toeschynen, toch zal deze benaming als een fout
hebben geklonken in de ooren van wien op Java bekend is. De westelyke
residentien Bantam, Batavia, Preanger, Krawang, en een gedeelte van
Cheribon—tezamen genomen: Soendahlanden genaamd—worden geacht niet
tot eigenlyk Java te behooren, en om nu niet van de over zee gekomen
vreemdelingen in die gewesten te spreken, de oorspronkelyke bevolking is
inderdaad een geheel andere dan op midden-Java en in den zoogenaamden
Oosthoek. Kleeding, volksaard en taal zyn zoo geheel anders dan meer
oostwaarts, dat de Soendanees of Orang Goenoeng[136] van den
eigenlyk gezegden Javaan meer verschilt dan een Engelschman van den
Hollander. Dusdanige verschillen geven dikwyls aanleiding tot
oneenigheid in 't oordeel over indische zaken. Immers wanneer men nagaat
dat Java alleen reeds zoo scherp is afgedeeld in twee ongelyksoortige
deelen, zonder nog te letten op de vele onderdeelen van die splitsing,
kan men berekenen hoe groot het onderscheid moet wezen tusschen
volkstammen die verder van elkander wonen en zelfs door de zee
gescheiden zyn. Wie nederlandsch Indie alleen kent van Java, kan zich
evenmin een juist denkbeeld vormen van den Maleier, den Amboinees,
den Battah, den Alfoer, den Timorees, den Dajak, den Boegie,
of den Makassaar, alsof hy nooit Europa verlaten had, en 't is voor
iemand die in de gelegenheid was 't onderscheid tusschen deze volkeren
waartenemen, dikwyls vermakelyk om de gesprekken aantehooren—grappig en
bedroevend tevens, de redevoeringen te lezen!—van personen die hun
kennis der indische zaken opdeden te Batavia of te Buitenzorg.
Meermalen heb ik me verwonderd over den moed waarmee, by-voorbeeld een
gewezen Gouverneur-generaal, in de Kamer der Volksvertegenwoordiging,
gewicht tracht bytezetten aan zyn woorden door voorgewende aanspraak op
plaatselyke kennis en ondervinding. Ik stel hoogen prys op wetenschap
die door ernstige studie in 't boekvertrek verkregen is, en vaak stond
ik verbaasd over de uitgebreidheid der kennis van indische zaken, die
sommigen toonen te bezitten zonder ooit indischen grond betreden te
hebben. Zoodra nu een gewezen Gouverneur-generaal blyken geeft zich
zulke kennis te hebben eigen gemaakt op die wyze, behoort men voor hem
den eerbied te gevoelen die 't rechtmatig loon is van veeljarigen
nauwgezetten vruchtbaren arbeid. Grooter nog zy die eerbied voor hem dan
voor den geleerde die minder moeielykheden te overwinnen had omdat hy,
op verren afstand zonder aanschouwing, minder gevaar liep te vervallen
in de dwalingen die 't gevolg zyn eener gebrekkige aanschouwing zooals
onmisbaar ten-deel viel aan den gewezen Gouverneur-generaal.🔗
Ik zeide dat ik verwonderd was over den moed dien sommigen by de
behandeling van indische zaken ten-toon spreiden. Zy weten immers dat
hun woorden ook door anderen worden gehoord, dan wie meenen mochten dat
het genoeg is een paar jaren te Buitenzorg te hebben doorgebracht om
Indie te kennen. Het moet hun toch bekend zyn dat die woorden ook
gelezen worden door de personen die in Indie zelf getuigen waren van hun
onbedrevenheid, en die evenzeer als ik verbaasd staan over de stoutheid
waarmee iemand die nog zoo kort geleden vergeefs trachtte zyn
onbekwaamheid wegtesteken onder den hoogen rang dien hem de Koning gaf,
nu zoo op-eenmaal spreekt alsof hy werkelyk kennis droeg van de zaken
die hy behandelt.🔗
Telkens hoort men dan ook klachten over onbevoegde inmenging. Telkens
wordt deze of gene richting in de koloniale staatkunde bestreden door
't loochenen der bevoegdheid van hem die zulke richting vertegenwoordigt,
en misschien ware het niet onbelangryk een gezet onderzoek intestellen
naar de eigenschappen die iemand bevoegd maken om … bevoegdheid te
beoordeelen. Meestal wordt een belangryke vraag getoetst, niet aan de
zaak waarover ze handelt, maar aan de waarde welke men toekent aan de
meening van den man die daarover 't woord voert, en daar dit meestal de
persoon is die doorgaat voor een Specialiteit, by-voorkeur iemand "die
in Indie een zoo gewichtige betrekking heeft bekleed" volgt hieruit dat
de slotsom eener stemming meestal de kleur draagt van de dwalingen die
nu eenmaal schynen te kleven aan "die gewichtige betrekkingen." Indien
dit reeds geldt waar de invloed van zoodanige specialiteit slechts wordt
uitgeoefend door een lid der Volksvertegenwoordiging, hoe groot wordt
dan niet de voorbeschikking tot verkeerd oordeelen, als zulke invloed
gepaard gaat met het vertrouwen des Konings die zich dwingen liet zulk
een specialiteit aan 't hoofd van zyn Ministerie van Kolonien te plaatsen.🔗
Het is een eigenaardig verschynsel—wellicht voortspruitende uit een
soort van traagheid die de moeite van 't zelf oordeelen schuwt—hoe
licht men vertrouwen schenkt aan personen die zich den schyn weten te
geven van meerder kennis, zoodra slechts die kennis kan geput wezen uit
bronnen die niet voor ieder toegankelyk zyn. De oorzaak ligt misschien
hierin, dat de eigenliefde minder gekwetst wordt door 't erkennen van
zoodanig overwicht, dan 't geval wezen zou wanneer men van dezelfde
hulpmiddelen had kunnen gebruik maken, waardoor iets als wedyver
ontstaan zou. Het valt den Volksvertegenwoordiger gemakkelyk zyn
gevoelen optegeven, zoodra 't bestreden wordt door iemand die geacht kan
worden een juister oordeel te vellen dan het zyne, wanneer slechts zulke
veronderstelde meerdere juistheid niet behoeft te worden toegeschreven
aan persoonlyke meerderheid—waarvan de erkenning moeielyker vallen
zou—doch alleen aan de byzondere omstandigheden waarin zoodanige
tegenstander verkeerd heeft.🔗
En zonder te spreken van hen "die zulke hooge betrekkingen in Indie
vervulden" het is inderdaad vreemd hoe men meermalen waarde toekent aan
de meening van personen die volstrekt niets bezitten wat die toekenning
rechtvaardigt dan de "herinnering aan een zóóveeljarig verblyf in die
gewesten." Dit is te meer zonderling omdat zy die gewicht hechten aan
dusdanigen bewysgrond, toch niet gereedelyk alles zouden aannemen wat
hun by-voorbeeld zou gezegd worden over de huishouding des nederlandschen
staats, door ieder die aantoonde dat hy veertig of vyftig jaren in
Nederland gewoond had. Er zyn personen die byna even zooveel tyd in
Nederlandsch-Indie doorbrachten, zonder ooit in aanraking gekomen te zyn,
noch met de bevolking, noch met inlandsche Hoofden, en 't is bedroevend,
dat de Raad van Indie zeer dikwyls geheel of grootendeels uit zoodanige
personen is samengesteld, ja dat men zelfs middel heeft gevonden, den
Koning benoemingen te laten teekenen tot Gouverneur-generaal, van iemand
die tot deze soort van specialiteiten behoorde.[137]🔗
Toen ik zeide dat de veronderstelde bekwaamheid van een nieuwbenoemden
Gouverneur-generaal moest geacht worden de meening intesluiten dat men
hem voor een genie hield, was myn bedoeling geenszins het benoemen van
genien aantepryzen. Buiten het bezwaar toch dat er liggen zou in 't
gedurig onvervuld laten van een zoo gewichtige betrekking, pleit nog een
andere reden hiertegen. Een genie zou niet kunnen werken onder het
Ministerie van Kolonien, en dus als Gouverneur-generaal onbruikbaar
wezen … zooals genien wel meer zyn.🔗
Het ware misschien te wenschen dat de door my in den vorm eener
ziektegeschiedenis opgegeven hoofdfeilen de aandacht trokken dergenen
die tot de keuze van een nieuwen Landvoogd geroepen zyn. Op den
voorgrond stellende dat al de personen die daarvoor worden in aanmerking
gebracht, rechtschapen zyn, en in 't bezit van een bevattingsvermogen
dat hen eenigermate zal in-staat stellen te leeren wat ze zullen moeten
weten, houd ik 't voor hoofdzaak dat men met eenig gegrond vertrouwen
van hen de vermyding kunne verwachten van die aanmatigende betwetery in
't begin, en vooral van die apathische slaperigheid in de laatste jaren
van hun bestuur. Ik heb er reeds op gewezen dat Havelaar in zyn
moeielyken plicht meende te kunnen steunen op de hulp van den
Gouverneur-generaal, en ik voegde er by "dat deze meening naïef was."
Die Gouverneur-generaal wachtte zyn opvolger: de rust in Nederland
was naby!🔗
We zullen zien wat deze neiging tot slaap berokkend heeft aan de
Lebaksche Afdeeling, aan Havelaar, en aan den Javaan Saïdjah, tot
wiens eentonige geschiedenis—één onder zeer velen!—ik thans overga.🔗
Ja, eentonig zal ze wezen! Eentonig als 't verhaal van de werkzaamheid
der mier die haar bydrage tot den wintervoorraad moet opslepen tegen den
aardkluit—voor haar een berg—die er ligt op den weg naar de
voorraadschuur. Telkens valt ze terug met haar vracht, om telkens weer
te beproeven of ze eindelyk vasten voet zou kunnen zetten op dat
steentje daar-boven … op de rots die den berg kroont. Maar tusschen
haar en dien top is een afgrond die moet worden omgetrokken … een
diepte die duizend mieren niet vullen zouden. Daartoe moet zy, die
nauwlyks kracht heeft haar last voortteslepen op gelyken grond—een last
vele malen zwaarder dan eigen lyf—dien omhoog heffen, en zich overeind
houden op een bewegelyke plek. Ze moet het evenwicht bewaren als ze zich
opricht met haar vracht tusschen de voorpooten. Ze moet die omslingeren
in schuinsche richting naar-boven, om ze te doen neerkomen op de punt
die uitsteekt aan den rotswand. Ze wankelt, waggelt, schrikt, bezwykt
… tracht zich te houden aan den half ontwortelden boomstam die met zyn
kruin naar de diepte wyst—een grasspriet!—ze mist het steunpunt dat ze
zoekt: de boom slingert terug—de grasspriet wykt onder haren tred—ach,
de tobster valt in de diepte met haar vracht. Dan is zy een oogenblik
stil, wel een sekonde … dat lang is in het leven van een mier. Zou ze
verdoofd wezen van pyn door haar val? Of geeft ze toe in wat droefheid
dat zooveel inspanning ydel was? Maar ze verliest den moed niet. Weder
grypt ze haren last, en weder sleept zy dien naar-boven, om straks
nògeens, en nògeens, neertevallen in de diepte.🔗
Zóó eentonig is myn verhaal. Maar ik zal niet spreken van mieren, welker
vreugde of leed door de grofheid onzer zintuigen aan onze waarneming
ontsnapt. Ik zal verhalen van menschen, van wezens die gelyke beweging
hebben als wy. 't Is waar, wie aandoening schuwt en vermoeiend
mede-lyden ontgaan wil, zal zeggen dat die menschen geel zyn, of
bruin—velen noemen ze zwart—en voor dezulken is 't verschil van kleur
beweegreden genoeg om hun oog aftekeeren van die ellende, of ten-minste
àls zy er op neerzien, daarop neertezien zonder aandoening.🔗
Myn vertelling is dus alleen gericht aan hen die in-staat zyn tot het
moeielyk geloof dat er harten kloppen onder die donkere opperhuid, en
dat, wie gezegend is met blankheid en de daarmee samengaande beschaving,
edelmoedigheid, handels- en Godskennis, deugd … zyn blanke
hoedanigheden zou kunnen aanwenden op àndere wyze dan tot nog toe
ondervonden werd door wie minder gezegend zyn in huidskleur en
zielevoortreffelykheid.🔗
Myn vertrouwen op medegevoel met de Javanen gaat echter niet zóó ver,
dat ik by de beschryving hoe men den laatsten buffel rooft uit den
kendang[138] by-dag, zonder schroom, onder bescherming van 't
nederlandsch gezag … als ik 't weggevoerd rund laat volgen door den
eigenaar en zyn schreiende kinderen … als ik hem laat neerzitten op
den trap van 't huis des roovers, sprakeloos en wezenloos en verzonken
in smart … als ik hem van daar laat wegjagen met hoon en smaad, met
bedreiging van rottingslag en blokgevangenis … zie, ik eisch
niet—noch verwacht, o Nederlanders!—dat ge daardoor zult aangegrepen
zyn in gelyke maat als wanneer ik u het lot schetste van een boer wien
men zyn koe ontnam. Ik vraag geen traan by de tranen die er vloeien op
zoo donkere gezichten, noch edelen toorn als ik zal spreken van de
vertwyfeling der beroofden. Evenmin verwacht ik dat ge zult opstaan, en
met myn boek in de hand tot den Koning gaan, en zeggen: "zie, o Koning,
dat geschiedt in uw Ryk, in uw schoon ryk van Insulinde!"🔗
Neen, neen, neen, dat alles verwacht ik niet! Te veel leeds in de
nabyheid maakt zich meester van uw gevoel, om u zóó veel gevoels
overtelaten voor wat zoo ver is! Worden niet al uw zenuwen in spanning
gehouden door de akeligheid der keus van een nieuw Kamerlid? Dobbert
niet uw verscheurde ziel tusschen de wereldberoemde verdiensten van
Nietigheid A en Onbeduidendheid B? En hebt ge niet uw dure tranen noodig
voor ernstiger zaken dan … maar wat hoef ik méér te zeggen! Was er
niet gister slapte op de beurs, en dreigde niet ietwat overvoer de
koffimarkt met daling?🔗
* * * * *🔗
"Schryf toch zulke zinnelooze dingen niet aan je papa, Stern!" heb ik
gezegd, en misschien zei ik 't wat driftig, want ik kan geen onwaarheid
lyden, dit is altyd een vast principe van me geweest. Ik heb dien avend
terstond aan den ouden Stern geschreven dat hy haast moest maken met zyn
orders, en vooral zich in-acht nemen tegen valsche berichten, want de
koffi staat heel goed.🔗
De lezer gevoelt wat ik by 't aanhooren van die laatste hoofdstukken
weer heb uitgestaan. Ik heb in de kinderkamer een solitairspelletje
gevonden, en dàt neem ik voortaan mee naar den krans. Had ik niet gelyk,
toen ik zei dat die Sjaalman allen had gek gemaakt met zyn pak? Zou men
in al dat geschryf van Stern—en Frits doet ook mee, dit is
zeker!—jongelieden herkennen, die opgebracht worden in een deftig huis?
Wat zyn dat voor malle uitvallen tegen een ziekte, die zich openbaart in
't verlangen naar een buitenplaats? Is dat op my gemunt? Mag ik niet
naar Driebergen gaan, als Frits makelaar is? En wie spreekt van
buikaandoeningen, in gezelschap van vrouwen en meisjes? Het is een vast
principe van me, altyd bedaard te blyven—want ik houd dit voor nuttig
in de zaken—maar ik moet erkennen, dat het me dikwyls veel moeite
kostte, by 't aanhooren van al de gekheid die Stern voorleest. Wat wil
hy toch? Wat moet het eind zyn? Wanneer komt er nu eindelyk iets
degelyks? Wat gaat het my aan, of die Havelaar zyn tuin schoon houdt,
en of de menschen voor of achter by hem binnenkomen? By Busselinck en
Waterman moet men door een nauw gangetje, naast een oliepakhuis, waar
't altyd heel vuil is. En dan dat gemaal over die buffels! Wat hoeven ze
buffels te hebben, die zwarten? Ik heb nog nooit een buffel gehad, en
toch ben ik tevreden. Er zyn menschen die altyd klagen. En wat dat
schimpen op gedwongen arbeid aangaat, men ziet wel dat hy de preek van
dominee Wawelaar niet gehoord heeft, anders zou hy weten hoe nuttig dat
werken is voor de uitbreiding van 't Godsryk. 't Is waar, hy is
luthersch.🔗
O, zeker, als ik had kunnen gissen hoe hy 't boek schryven zou, dat
zoo gewichtig worden moet voor alle makelaars in koffi—en anderen—had
ik 't liever zelf gedaan. Maar hy heeft een steun in de Rosemeyers, die
in suiker doen, en dit maakt hem zoo boud. Ik heb ronduit gezegd—want
ik ben oprecht in die dingen—dat wy de geschiedenis van dien Saïdjah
wel kunnen missen, maar daar begon op-eens Louise Rosemeyer tegen my
optestaan. Het schynt dat Stern haar gezegd heeft dat er van liefde zou
inkomen, en daar zyn zulke meisjes dol op. Ik zou me echter hierdoor
niet hebben laten afschrikken, als maar niet de Rosemeyers me gezegd
hadden, gaarne kennis te willen aanknoopen met Sterns vader. Dit is
natuurlyk om door den vader te komen tot den oom, die in suiker doet.
Als ik nu te sterk party trek voor 't gezond verstand tegen den jongen
Stern, laad ik den schyn op my, alsof ik hen van hem wil aftrekken, en
dit is volstrekt het geval niet, want ze doen in suiker.🔗
Ik begryp volstrekt Sterns bedoeling niet met zyn geschryf. Er zyn altyd
ontevreden menschen, en staat het hem nu fraai, hy die zooveel goeds
geniet in Holland—van de week nog heeft myn vrouw kamillenthee voor hem
gezet—om te schimpen op de Regeering? Wil hy daarmee de algemeene
ontevredenheid aanvuren? Wil hy Gouverneur-generaal worden? Hy is er
verwaand genoeg toe … om het te willen, meen ik. Ik vroeg hem dit
eergister, en zei er ronduit by, dat zyn hollandsch nog zoo gebrekkig
was. "O, dit is geen bezwaar, antwoordde hy. Er schynt maar zelden een
Gouverneur-generaal daarheen gezonden te worden, die de taal van 't land
verstaat." Wat moet ik nu doen met zoo'n wysneus? Hy heeft niet den
minsten eerbied voor myn ondervinding. Toen ik hem van de week zei dat
ik reeds zeventien jaar makelaar was, en al twintig jaar de beurs
bezocht, haalde hy Busselinck & Waterman aan, die al achttien jaar
makelaars zyn, en, zeide hy "die hebben dus één jaar ondervinding meer."
Zoo ving hy me, want ik moet erkennen, omdat ik van de waarheid houd,
dat Busselinck & Waterman weinig van de zaken weten, en dat het
knoeiers zyn.🔗
Marie is ook in de war. Verbeeld u, dat ze van de week—het was haar
beurt van voorlezen aan 't ontbyt, en we waren aan de geschiedenis van
Loth—op eens stilhield en niet verder lezen wilde. Myn vrouw, die
evenzeer als ik op godsdienst gesteld is, trachtte haar met zachtheid
tot gehoorzaamheid overtehalen, omdat het toch voor een zedig meisje
niet past, zoo hoofdig te wezen. Alles vergeefs! Toen moest ik als vader
met groote strengheid haar beknorren, omdat ze door haar hardnekkigheid
de stichting van 't ontbyt bedierf, wat altyd slecht werkt op den heelen
dag. Maar er was niets aan te doen, en ze ging zóóver, dat ze zeide,
liever doodgeslagen te willen worden dan voorttelezen. Ik heb haar
gestraft met drie dagen kamerarrest op koffi en brood, en hoop dat het
haar goed zal doen. Om tevens die straf te doen strekken tot zedelyke
verbetering, heb ik haar gelast, het kapittel dat ze niet lezen wilde,
tien maal afteschryven, en ik ben tot deze strengheid vooral overgegaan,
omdat ik bemerkt heb dat ze in den laatsten tyd—of 't van Stern komt,
weet ik niet—begrippen heeft aangenomen, die me gevaarlyk voorkomen
voor de zedelykheid, waarop myn vrouw en ik zoo byzonder gesteld zyn. Ik
heb haar onder anderen een fransch liedje hooren zingen—van Béranger,
geloof ik—waarin een arme oude bedelaarster beklaagd wordt, die in haar
jeugd op een theater zong, en gister was zy aan 't ontbyt zonder korset
—Marie, meen ik—dat toch niet fatsoenlyk is.🔗
Ook moet ik erkennen dat Frits weinig goeds heeft thuisgebracht van den
bidstond. Ik was redelyk tevreden geweest over zyn stilzitten in de
kerk. Hy verroerde zich niet, en wendde geen oog van den preekstoel,
maar later vernam ik dat Betsy Rosemeyer in 't doophek had gezeten. Ik
heb er niets van gezegd, want men moet voor jongelieden niet al te
streng zyn, en de Rosemeyers zyn een fatsoenlyk huis. Ze hebben aan hun
oudste dochter die met Bruggeman in drogeryen getrouwd is, iets heel
aardigs meegegeven, en daarom geloof ik dat zoo-iets Frits van de
Westermarkt afhoudt, wat me heel aangenaam is, omdat ik zoo op
zedelykheid gesteld ben.🔗
Maar dit belet niet, dat het me ergert, Frits zyn hart te zien
verharden, even als Pharao, die minder schuldig was dan hy, omdat hy
geen vader had die hem zoo gedurig den rechten weg wees, want van den
ouden Pharao zegt de Schrift niets. Dominee Wawelaar klaagt over zyn
verwaandheid—van Frits, meen ik—op de katechisatie, en de jongen
schynt—uit dat pak van Sjaalman alweer!—een neuswyzigheid gehaald te
hebben, dat den gemoedelyken Wawelaar dol maakt. Het is aandoenlyk hoe
de waardige man, die dikwyls koffi by ons drinkt, by Frits op 't gevoel
tracht te werken, en hoe de kwajongen telkens nieuwe vragen gereed
heeft, die de weerbarstigheid van zyn gemoed aantoonen … 't komt alles
uit dat vervloekte pak van Sjaalman! Met tranen van gevoel op de wangen,
tracht de yverige dienaar des Evangeliums hem te bewegen, aftezien van
de wysheid naar den mensch, om te worden ingeleid in de geheimenissen
der wysheid Gods. Met zachtheid en teederheid smeekt hy hem, toch niet
te verwerpen het brood des eeuwigen levens, en dusdoende te vervallen in
de klauwen van Satan, die met zyn engelen het vuur bewoont, dat hem
bereid is tot in eeuwigheid. "O, zeide hy gisteren—Wawelaar meen ik—o,
jonge vriend, open toch de oogen en de ooren, en hoor en zie wat de Heer
u geeft te zien en te hooren door myn mond. Let op de getuigenissen der
heiligen die gestorven zyn voor 't ware geloof! Zie Stefanus, als hy
nederzinkt onder de keien die hem verpletteren! Zie, hoe nog zyn blik
ten hemel is gericht, en hoe nog zyn tong psalmzingt …🔗
"Ik had liever weerom gegooid!" zei Frits daarop. Lezer, wat moet ik met
dien jongen aanvangen?🔗
Een oogenblik later begon Wawelaar op-nieuw, want hy is een yverig
dienstknecht, en laat niet af van den arbeid. "O, zeide hy, jonge vriend
open toch … de aanhef was als zooeven. "Maar, ging hy voort, kunt gy
ongevoelig blyven by 't bedenken wat er van u worden zal, als gy eenmaal
zult gerekend worden tot de bokken aan de linkerzyde …🔗
Daar berstte de deugniet uit in gelach—Frits meen ik—en ook Marie
begon te lachen. Zelfs meende ik iets wat naar lachen geleek, te
bespeuren op 't gelaat van myn vrouw. Maar toen ben ik Wawelaar te-hulp
gekomen, ik heb Frits gestraft met een boete uit zyn spaarpot, aan 't
zendelinggenootschap.[139]🔗
Och, lezer dat alles treft me diep. En men zou, by zúlk lyden, zich
kunnen vermaken met het aanhooren van vertelsels over buffels en
Javanen? Wat is een buffel in vergelyk met de zaligheid van Frits? Wat
gaan my de zaken aan van die menschen in de verte, als ik vreezen moet
dat Frits door zyn ongeloof myn eigen zaken zal bederven, en dat hy
nooit een flink makelaar worden zal? Want Wawelaar zelf heeft gezegd,
dat God alles zóó bestiert, dat rechtzinnigheid tot rykdom voert. "Zie
maar, zeide hy, is er niet veel rykdom in Nederland? Dat komt door 't
geloof. Is niet in Frankryk telkens moord en doodslag? Dat is omdat ze
daar katholiek zyn. Zyn niet de Javanen arm? 't Zyn heidenen. Hoe langer
de Hollanders met de Javanen omgaan, hoe meer rykdom er zal komen hier,
en hoe meer armoede daarginder. Dat is Gods wil zoo!"🔗
Ik sta verbaasd over Wawelaars doorzicht in zaken. Want het is de waarheid
dat ik, die stipt op de godsdienst ben, myn zaken zie vooruitgaan van-jaar
tot-jaar, en Busselinck & Waterman, die om God noch gebod geven, zullen
knoeiers blyven hun leven lang. Ook de Rosemeyers, die in suiker doen en
een roomsche meid houden, hebben onlangs weer 27 percent moeten aannemen
uit de massa van een jood die fout was. Hoe meer ik nadenk, hoe verder ik
kom in 't doorgronden van Gods onnaspeurlyke wegen. Onlangs is gebleken
dat er weer dertig millioen zuiver gewonnen is op den verkoop van produkten
die door de heidenen geleverd zyn, en daarby is niet eens gerekend wat ik
daarop verdiend heb, en de vele anderen die van deze zaken leven. Is dit nu
niet alsof de Heer zeide: "ziedaar dertig millioen ter belooning van uw
geloof?" Is dit niet duidelyk de vinger Gods, die den booze laat arbeiden
om den rechtvaardige te behouden? Is dit niet een wenk om voorttegaan op
den goeden weg? Om ginds veel te laten voortbrengen, en hier te volharden
in 't ware geloof? Heet het niet daarom: "bidt en werkt" opdat wy zouden
bidden, en 't werk laten doen door 't zwarte goedje dat geen "Onze Vader"
kent?🔗
O, hoe heeft Wawelaar gelyk, als hy Gods juk zacht noemt! Hoe licht
wordt de last gemaakt aan ieder die gelooft! Ik ben pas in de veertig,
en zou kunnen uitscheiden als ik wilde, en naar Driebergen gaan, en zie
eens hoe 't met anderen afloopt, die den Heer verlieten? Gisteren heb ik
Sjaalman gezien met zyn vrouw en hun jongetje: ze zagen er uit als
spoken. Hy is bleek als de dood, zyn oogen puilen uit, en zyn wangen
staan hol. Zyn houding is gebogen, schoon hy nog jonger is dan ik. Ook
zy was zeer armoedig gekleed, en ze scheen weer geschreid te hebben. Nu,
ik had terstond bemerkt dat zy ontevreden van natuur is, want ik behoef
iemand maar eenmaal te zien om hem te beoordeelen. Dat komt van de
ondervinding. Ze had een manteltje van zwarte zyde om, en 't was toch
vry koud. Van krinoline was geen spoor. Haar licht japonnetje hing slap
om de knieën, en aan den rand was franje. Hy had zelfs zyn sjaal niet
meer om, en zag er uit alsof 't zomer was. Toch schynt hy nog een soort
van trots te bezitten, want hy gaf iets aan een arme vrouw, die op de
sluis zat—Frits zegt: brug, maar wat van steen is zonder een wip,
noem ik sluis[140]—en wie zelf zoo weinig heeft, doet zonde als hy
nog weggeeft aan een ander. Bovendien, ik geef nooit op straat—dit is
een principe van me—want ik zeg altyd, als ik zoo arme menschen zie:
wie weet of 't hun eigen schuld niet is, en ik mag hen niet styven in
verkeerdheid. Zondags geef ik tweemaal: eens voor de armen, en eens voor
de kerk. Zóó behoort het! Ik weet niet of Sjaalman me gezien heeft, maar
ik ging snel voorby, en keek naar boven, en dacht aan de rechtvaardigheid
van God, die hem toch niet zoo zou laten loopen zonder winterjas, als hy
beter had opgepast en niet lui, pedant en ziekelyk was.🔗
Wat nu myn boek aangaat, moet ik waarlyk den lezer om verschooning
vragen voor de onvergeeflyke wyze, waarop Stern misbruik maakt van ons
kontrakt. Ik moet erkennen dat ik zeer opzie tegen den eersten
kransavend en de liefdegeschiedenis van dien Saïdjah. De lezer weet
reeds, welke gezonde begrippen ik over liefde heb … men denke slechts
aan myn beoordeeling van dat uitstapje naar den Ganges. Dat jonge
meisjes zoo-iets aardig vinden, kan ik wel begrypen, maar 't is my
onverklaarbaar dat mannen van jaren zulke zotheden zonder walg
aanhooren. Ik ben zeker, dat ik op den aanstaanden krans den triolet
vind van myn solitairspel.🔗
Ik zal beproeven niets van dien Saïdjah te hooren, en hoop dat de man
gauw trouwt, als hy ten-minste de held is van de liefdehistorie. 't Is
nog al wèl van Stern, dat hy vooraf gewaarschuwd heeft, dat het een
eentonige geschiedenis wezen zal. Zoodra hy dan later aan wat anders
begint, zal ik weer toeluisteren. Maar dat afkeuren van 't Bestuur,
verveelt me byna evenzeer als liefdegeschiedenissen. Men ziet uit alles,
dat Stern jong is en weinig ondervinding heeft. Om de zaken goed te
beoordeelen, moet men alles van naby zien. Toen ik trouwde, ben ik zelf
in den Haag geweest, en heb met myn vrouw 't Mauritshuis bezocht. Ik ben
daar in aanraking gekomen met alle standen van de maatschappy, want ik
heb den Minister van Financien zien voorbyryden, en we hebben samen
flanel gekocht in de Veenestraat—ik en myn vrouw, meen ik—en nergens
heb ik 't minste blijk bespeurd van ontevredenheid met de Regeering. Die
juffrouw in den winkel zag er tevreden uit, en toen dus in 1848 sommigen
ons trachtten wys te maken dat in den Haag niet alles was zoo als 't
behoorde, heb ik op den krans over die ontevredenheid het myne gezegd.
Ik vond geloof, want ieder wist dat ik by ondervinding sprak. Ook op de
terugreis met de diligence heeft de kondukteur "schep vreugd" geblazen,
en dat zou de man toch niet gedaan hebben, als er zooveel verkeerds was.
Zóó heb ik op alles gelet, en wist dus terstond wat ik te denken had van
al dat morren in 1848.🔗
Tegenover ons woont een juffrouw, wier neef een toko doet in de Oost,
zooals ze daar een winkel noemen. Wanneer dus alles zoo slecht ging als
Stern zegt, zou zy er ook wel wat van weten, en 't schynt toch dat het
mensch zeer tevreden is met de zaken, want ik hoor haar nooit klagen.
Integendeel, ze zegt dat haar neef daar op een buiten woont, dat hy lid
is van den kerkeraad, en dat hy haar een pauwenveeren sigaarkoker heeft
gezonden, dien hy zelf gemaakt had van bamboe. Dit alles toont toch
duidelyk, hoe ongegrond dat geklaag is over slecht bestuur. Ook ziet men
daaruit, dat er voor iemand die wil oppassen, in dat land nog wel wat te
verdienen valt, en dat dus die Sjaalman ook dáár al lui, pedant en
ziekelyk geweest is, anders zou hy niet zoo arm zyn thuisgekomen, en
hier rondloopen zonder winterjas. En de neef van die juffrouw tegenover
ons, is de eenige niet die in de Oost fortuin heeft gemaakt. In "Polen"
zie ik velen die daar geweest zyn, en waarlyk heel knap in de kleeren
steken. Maar dit begrypt zich, op de zaken moet men passen, ginder zoo
goed als hier. Op Java zullen de gebraden duiven niemand in den mond
vliegen: er moet gewerkt worden, wie dàt niet wil, is arm en blyft arm,
dat spreekt vanzelf.🔗