§ Text Max Havelaar

Myn vertrouwen op medegevoel met de Javanen gaat echter niet zóó ver, dat ik by de beschryving hoe men den laatsten buffel rooft uit den kendang[138] by-dag, zonder schroom, onder bescherming van 't nederlandsch gezag … als ik 't weggevoerd rund laat volgen door den eigenaar en zyn schreiende kinderen … als ik hem laat neerzitten op den trap van 't huis des roovers, sprakeloos en wezenloos en verzonken in smart … als ik hem van daar laat wegjagen met hoon en smaad, met bedreiging van rottingslag en blokgevangenis … zie, ik eisch niet—noch verwacht, o Nederlanders!—dat ge daardoor zult aangegrepen zyn in gelyke maat als wanneer ik u het lot schetste van een boer wien men zyn koe ontnam. Ik vraag geen traan by de tranen die er vloeien op zoo donkere gezichten, noch edelen toorn als ik zal spreken van de vertwyfeling der beroofden. Evenmin verwacht ik dat ge zult opstaan, en met myn boek in de hand tot den Koning gaan, en zeggen: "zie, o Koning, dat geschiedt in uw Ryk, in uw schoon ryk van Insulinde!"

Search
Author(s)