§ Text Max Havelaar

Saturdag-avend namelyk, had myn schoonvader een uitnoodiging aangenomen by een heer die vroeger in den Oost resident was, en nu op een groot buiten woont. Dáár zyn we geweest, en waarlyk, ik kan de lieve ontvangst niet genoeg roemen. Hy had zyn rytuig gezonden om ons aftehalen, en de koetsier had een rood vest aan. Nu was 't nog wel wat te guur om de buitenplaats te bezien, die prachtig moet wezen in den zomer, maar in 't huis zelf verlangde men naar niets meer, want er was vol-op van alles wat vermaak geeft: een billardzaal, een bibliotheekzaal, een overdekte yzeren glasgalery als broeikast, en de kakatoea zat op een kruk van zilver.[157] Ik had nooit zoo-iets gezien, en maakte terstond de opmerking, hoe toch altyd goed gedrag beloond wordt. Die man had terdeeg op zyn zaken gepast, want hy had wel drie ridderorden. Hy bezat een heerlyke buitenplaats, en bovendien een huis te Amsterdam. Aan 't souper was alles getruffeld, en ook de bedienden aan tafel hadden roode vesten aan, net als de koetsier.

Search
Author(s)