't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zyn Tine in de
voorgalery, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis
uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps
wendde zy zich naar 't hek, en wees daar met vry hevige gebaren een man
terug die even te-voren was binnengetreden. Ze bleef staan tot zy zich
verzekerd had dat hy naar-buiten was teruggegaan, en keerde daarop langs
het grasveld naar Havelaars huis terug.🔗
"Ik wil toch eindelyk eens weten wat dit beduidt!" zei Havelaar, en toen
de begroeting voorby was, vroeg hy op schertsenden toon, om haar niet te
doen meenen dat hy haar een weinigje gezag misgunde, op een erf dat
vroeger 't hare was:🔗
—Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de menschen die 't erf
betreden, zoo terugzendt? Als die man van zoo-even nu eens iemand was
die kippen te-koop had, of iets anders wat noodig kon zyn voor de
keuken?🔗
Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pynlyke trek
die niet ontsnapte aan Havelaars blik.🔗
—Ach, zeide zy, er is zooveel slecht volk!🔗
—Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de menschen zoo moeielyk
maakt, zullen de goeden ook weg blyven. Komaan, mevrouw, vertel me toch
eens ronduit waarom ge zoo streng opzicht houdt over 't erf?🔗
Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in
haar vochtig oog. Hy drong iets sterker op verklaring aan … de weduw
berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten-huize van het
distriktshoofd te Parang-Koedjang vergiftigd was.🔗
—Hy wilde rechtvaardig zyn, m'nheer Havelaar, ging de arme vrouw voort,
hy wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de bevolking
zucht. Hy vermaande en dreigde de Hoofden, in vergaderingen en
schriftelyk … ge moet zyn brieven gevonden hebben in 't archief?🔗
Dit was zoo. Havelaar had die brieven gelezen, waarvan afschriften voor
my liggen.[149]🔗
—Hy sprak telkens met den resident, vervolgde de weduw, maar altyd
vergeefs. Want daar 't van algemeene bekendheid was dat de knevelary
plaats had ten-behoeve en onder bescherming van den Regent, wien de
resident niet by de Regeering wilde aanklagen, leidden al die gesprekken
tot niets dan tot mishandeling van de klagers. Daarom had myn arme man
gezegd dat hy, als er geen verbetering kwam vóór 't einde des jaars,
zich rechtstreeks wenden zou tot den Gouverneur-generaal. Dat was in
November. Hy ging kort daarna op een inspektiereis, gebruikte het
middagmaal ten huize van den Dhemang van Parang-Koedjang, en werd
kort daarop in deerniswaarden toestand te-huis gebracht. Hy riep, op de
maag wyzende: "vuur, vuur" en weinige uren later was hy dood, hy die
altyd een voorbeeld was geweest van goede gezondheid.🔗
—Hebt ge den dokter van Serang laten roepen? vroeg Havelaar.🔗
—Ja, maar hy heeft myn echtgenoot slechts kort behandeld, omdat deze
kort na zyn komst gestorven is. Ik durfde den dokter myn vermoeden niet
meedeelen, omdat ik wegens myn toestand voorzag deze plaats niet spoedig
te kunnen verlaten, en bevreesd was voor wraak. Ik heb gehoord dat gy
even als myn echtgenoot u verzet tegen de misbruiken die hier heerschen,
en daarom heb ik geen gerust oogenblik. Ik had dit alles voor u willen
verbergen om u en mevrouw niet angstig te maken, en bepaalde my dus tot
het bewaken van tuin en erf, opdat geen vreemden toegang zouden hebben
tot de keuken.🔗
Nu werd het Tine duidelyk waarom mevrouw Slotering haar eigen
huishouding was blyven voeren, en zelfs geen gebruik had willen maken
van de keuken "die toch zoo ruim was."🔗
Havelaar liet den kontroleur roepen. Intusschen richtte hy aan den
geneesheer te Serang, een verzoek om opgave der verschynselen by
Sloterings dood. Het antwoord dat hy op deze vraag bekwam, was niet in
den geest der vermoedens van de weduw. Volgens den arts was Slotering
gestorven aan een "abcès in de lever." Het is me niet gebleken of
zoodanige kwaal zich zoo kan openbaren op-eenmaal, en den dood
veroorzaken in weinige uren? Ik geloof hier te moeten achtslaan op de
verklaring van mevrouw Slotering dat haar echtgenoot vroeger altyd
gezond geweest was. Doch als men geen waarde hecht aan zoodanige
verklaring—omdat de opvatting van 't begrip: gezondheid, vooral in
de oogen van niet-geneeskundigen, zeer onderwerpelyk is—blyft toch de
gewichtige vraag bestaan, of iemand die heden sterft aan een "abcès in
de lever" zich gister kon te-paard zetten met het doel om een
bergachtige landstreek te inspekteeren die in sommige richtingen twintig
uren breed is? De arts die Slotering behandelde kan een bekwaam
geneesheer geweest zyn, en zich niettemin vergist hebben in 't
beoordeelen van de verschynselen der ziekte, onvoorbereid als hy was op
't vermoeden van misdaad.[151]🔗
Hoe dit zy, ik kan niet bewyzen dat Havelaars voorganger vergiftigd was,
daar men Havelaar den tyd niet heeft gelaten deze zaak tot klaarheid te
brengen. Doch wel kan ik bewyzen dat zyn omgeving hem voor vergiftigd
hield, en dat men dit vermoeden vastknoopte aan zyn zucht om onrecht
te-keer te gaan.🔗
De kontroleur Verbrugge trad de kamer van Havelaar binnen. Deze vroeg
kortaf:🔗
—Waaraan is m'nheer Slotering gestorven?🔗
—Dat weet ik niet.🔗
—Is hy vergiftigd?🔗
—Dat weet ik niet, maar …🔗
—Spreek duidelyk, Verbrugge!🔗
—Maar hy trachtte de misbruiken te-keer te gaan, zooals u, m'nheer
Havelaar, en … en …🔗
—Welnu? Ga voort?🔗
—Ik ben overtuigd dat hy … zou vergiftigd geworden zyn als hy langer
hier was gebleven.🔗
—Schryf dat op!🔗
Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. Zyn verklaring, ligt voor
my![149]🔗
—Nog iets. Is 't wáár of is 't niet waar dat er gekneveld wordt in
Lebak?🔗
Verbrugge antwoordde niet.🔗
—Antwoord, Verbrugge!🔗
—Ik durf niet.🔗
—Schryf 't op, dat je niet durft!🔗
Verbrugge heeft het opgeschreven: het ligt voor my.[149]🔗
—Wèl! Nog iets: je durft niet antwoorden op de laatste vraag, maar je
zei me onlangs, toen er spraak was van vergiftiging, dat je de eenige
steun was van je zusters te Batavia, niet waar? Ligt dáárin misschien
de oorzaak van je vrees, de grond van wat ik altyd halfheid noemde?🔗
—Ja!🔗
—Schryf dat op.🔗
Verbrugge schreef het op: zyn verklaring ligt voor my![149]🔗
—'t Is wèl, zei Havelaar, nu weet ik genoeg. En Verbrugge kon gaan.🔗
Havelaar trad naar buiten en speelde met kleinen Max dien hy met
byzondere innigheid kuste. Toen mevrouw Slotering vertrokken was, zond
hy 't kind weg en riep Tine in zyn kamer.🔗
—Lieve Tine, ik heb je een verzoek te doen! Ik wenschte dat je met Max
naar Batavia ging: ik klaag heden den Regent aan.🔗
En ze viel hem om den hals, en was ongehoorzaam voor het eerst, en riep
snikkende:🔗
—Neen Max, neen Max, dat doe ik niet … dat doe ik niet! Wy eten en
drinken tezamen!🔗
Had Havelaar ongelyk toen hy beweerde dat zy evenmin recht had op
neussnuiten als de vrouwen te Arles?🔗
Hy schreef en verzond den brief waarvan ik hier een afschrift geef.
Nadat ik eenigszins de omstandigheden heb geschetst, waarin dit stuk
geschreven werd, geloof ik niet noodig te hebben op de kordate
plichtsvervulling te wyzen die daarin doorstraalt, evenmin als op de
zachtmoedigheid die Havelaar bewoog den Regent in bescherming te nemen
tegen al te zware straf. Doch niet zoo overbodig zal 't wezen, daarby
zyn omzichtigheid te doen opmerken die hem geen woord deed uiten over de
pas gedane ontdekking om niet het stellige zyner aanklacht te verzwakken
door onzekerheid omtrent een wel belangryke, maar nog onbewezen
beschuldiging. Zyn voornemen was, 't lyk van zyn voorganger te doen
opgraven en wetenschappelyk onderzoeken, zoodra de Regent zou verwyderd
zyn, en diens aanhang onschadelyk gemaakt. Maar men heeft hem hiertoe de
gelegenheid niet gelaten.[152]🔗
In de afschriften van officieele stukken—afschriften die overigens
letterlyk overeenstemmmen met het oorspronkelyke—geloof ik de dwaze
titulatuur te mogen vervangen door eenvoudige voornaamwoorden. Van den
goeden smaak myner lezers verwacht ik dat zy in deze verandering
genoegen nemen.🔗
"N° 88. Geheim. Spoed. Rangkas-Betoeng, 24 Februari 1856.🔗
Aan den Resident van Bantam.🔗
Sedert ik voor een maand myn betrekking alhier aanvaardde, heb ik my
hoofdzakelyk beziggehouden met het onderzoek naar de wyze waarop de
Inlandsche Hoofden zich kwyten van hun verplichtingen jegens de
bevolking op het stuk van heerediensten, poendoetan en dergelyke.[153]🔗
Zeer spoedig ontdekte ik dat de Regent op eigen autoriteit, en ten
zynen-behoeve, menschen liet opkomen, vèr boven het hem wettig
toekomend aantal pantjens en kemits.[154]🔗
Ik weifelde tusschen de keus om terstond officieel te rapporteeren,
en de zucht om door zachtheid, of later zelfs door bedreigingen, dien
Inlandschen Hoofdambtenaar daarvan terug te brengen, ten-einde het
tweeledig doel te bereiken om dat misbruik te doen ophouden en
te-gelyker-tyd dien ouden dienaar van het Gouvernement niet terstond
al te streng te behandelen, vooral uit aanmerking van de slechte
voorbeelden die, naar ik geloof, hem dikwyls gegeven zyn, en
in-verband met de byzondere omstandigheid dat hy bezoek verwachtte
van twee verwanten, de Regenten van Bandoeng en van Tjanjor,
althans van den laatsten—die, naar ik meen, reeds met groot gevolg
op weg is—en hy dus meer dan anders in de verzoeking was—en met het
oog op den benarden staat zyner geldmiddelen, als-het-ware in de
noodzakelijkheid—om door onwettige middelen te voorzien in de
noodige toebereidselen voor dat bezoek.🔗
Dit alles leidde my tot zachtheid omtrent hetgeen reeds geschied was,
doch geenszins tot toegevendheid voor den vervolge.🔗
Ik drong aan op dadelyke staking van elke onwettigheid.🔗
Van die voorloopige proeve om den Regent door zachtheid tot zyn
plicht te brengen, heb ik u onder'shands doen kennis dragen.[155]🔗
My is echter gebleken dat hy met brutale onbeschaamdheid alles in den
wind slaat, en ik gevoel my krachtens myn ambtseed verplicht u
meetedeelen:🔗
dat ik den Regent van Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara,
BESCHULDIG van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over
den arbeid zyner onderhoorigen, en VERDENK van knevelary, door het
vorderen van opbrengsten in naturâ, zonder, of tegen willekeurig
vastgestelde, onvoldoende, betaling; dat ik voorts den Dhemang,
van Parang-Koedjang zyn schoonzoon—verdenk van medeplichtigheid
aan de genoemde feiten.🔗
Om beide zaken behoorlyk te kunnen instrueeren, neem ik de vryheid u
voortestellen, my te gelasten:🔗
1° den Regent van Lebak voornoemd, met den meesten spoed naar
Serang optezenden, en zorgtedragen dat hy noch voor zyn vertrek,
noch gedurende de reize in de gelegenheid zy, door omkooping of op
andere wyze te influenceeren op de getuigenissen die ik zal moeten
inwinnen;🔗
2° den Dhemang van Parang-Koedjang voorloopig, in arrest te
nemen;🔗
3° gelyken maatregel toetepassen op zoodanige personen van minderen
rang, als, behoorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen
worden invloed uitteoefenen op de zuiverheid van het intestellen
onderzoek;🔗
4° dat onderzoek terstond te doen plaats hebben, en van den uitslag
te dienen van omstandig bericht.🔗
Ik neem de vryheid u voorts in overweging te geven, de komst des
Regents van Tjanjor te kontramandeeren.🔗
Ten-slotte heb ik de eer—ten-overvloede voor u, die de Afdeeling
Lebak beter kent dan my nog mogelyk is—de verzekering te geven dat
uit een politiek oogpunt de streng rechtvaardige behandeling dezer
zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar zou
beducht zyn als ze niet tot klaarheid gebracht werd. Want ik ben
geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige my zeide,
poessing is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet.[156]🔗
Ik heb de kracht tot den moeielyken plicht dien ik door het schryven
van dezen brief volbreng, gedeeltelyk geput uit de hoop dat het my
vergund zal wezen ter-zyner-tyd een en ander bytebrengen ter
verschooning van den ouden Regent, met wiens pozitie, hoezeer door
eigen schuld veroorzaakt, ik evenwel diep medelyden gevoel.🔗
De Adsistent-resident van Lebak🔗
Den volgenden dag antwoordde hem … de resident van Bantam? O neen,
de heer Slymering, partikulier!🔗
Dit antwoord is eene kostbare bydrage tot de kennis van de wyze waarop
het bestuur in Nederlandsch-Indie wordt uitgeoefend. De heer Slymering
beklaagde zich "dat Havelaar hem van de zaak die voorkwam in den brief
N° 88, niet eerst mondeling had kennis gegeven." Natuurlyk omdat er dan
meer kans ware geweest op "schipperen" En voorts: "dat Havelaar hem
stoorde in zyn drukke bezigheden!"🔗
De man was zeker bezig met een jaarverslag over rustige rust! Ik heb
dien brief voor my liggen en vertrouw myn oogen niet. Ik herlees den
brief van den adsistent-resident van Lebak ik plaats hèm en den
resident van Bantam, Havelaar en Slymering naast elkander…🔗
* * * * *🔗
Die Sjaalman is een gemeene schooier! Ge moet weten, lezer, dat
Bastiaans weer dikwyls niet op 't kantoor komt, omdat hy de jicht heeft.
Daar ik nu een gewetenszaak maak van het wegwerpen der fondsen van de
firma—Last & Co—want in principes ben ik onwrikbaar, kwam ik
eergister op 't denkbeeld dat Sjaalman toch een tamelyk goede hand
schryft, en daar hy er zoo armoedig uitziet, en dus voor matig loon wel
zou te krygen zyn, begreep ik aan de firma verplicht te wezen, op de
goedkoopste wys in de vervanging van Bastiaans te voorzien. Ik ging dus
naar de Lange-leidsche-dwarsstraat. De vrouw van den winkel was voor,
doch scheen me niet te herkennen, schoon ik haar onlangs heel duidelyk
had gezegd dat ik m'nheer Droogstoppel was, Makelaar in koffi, van de
Lauriergracht. Er is altyd iets stuitends in dat niet herkennen, maar
omdat het nu wat minder koud is, en ik den vorigen keer myn jas met bont
aanhad, schryf ik het dááraan toe, en trek 't my niet aan … de
beleediging, meen ik. Ik zei dus nogeens, dat ik m'nheer Droogsstoppel
was, Makelaar in Koffi van de Lauriergracht, en verzocht haar te gaan
zien of die Sjaalman thuis was, omdat ik niet weer zooals onlangs wilde
te doen hebben met zyn vrouw, die altyd ontevreden is. Maar die
uitdraagster weigerde naar-boven te gaan. "Ze kon niet den heelen dag
trappen klimmen voor dat bedelvolk, zeide zy, ik moest maar zelf gaan
zien." En daar volgde weer een beschryving van de trappen en portalen,
die ik volstrekt niet noodig had, want ik herken altyd een plaats waar
ik eens geweest ben, omdat ik altyd zoo op alles acht geef. Dit heb ik
my aangewend in de zaken. Ik klom dus de trappen op, en klopte aan de
bekende deur, die terugweek. Ik trad binnen, en daar ik niemand in de
kamer vond, zag ik eens rond. Nu, veel te zien was er niet. Er hing een
half broekje met geborduurde strook over een stoel … wat hoeven zulke
menschen geborduurde broekjes te dragen? In een hoek stond een niet zeer
zware reiskoffer, dien ik in gedachte aan het hengsel vatte, en op den
schoorsteenmantel lagen eenige boeken die ik eens inzag. Een wonderlyke
verzameling! Een paar deelen van Byron, Horatius, Bastiat, Béranger,
en … raad eens? Een bybel, een kompleete bybel, met de apokriefe
boeken er in! Dàt had ik by Sjaalman niet verwacht. En er scheen in
gelezen te zyn ook, want ik vond veel aanteekeningen op losse stukken
papier, die betrekking hadden op de Schrift—hy zegt dat Eva tweemaal
ter-wereld kwam … de man is gek!—nu, alles was van dezelfde hand als
de stukken in dat verwenschte pak. Vooral 't boek van Job scheen hy
yverig bestudeerd te hebben, want daar gaapten de bladen. Ik denk dat hy
de hand des Heeren begint te voelen, en daarom door lektuur in de
heilige boeken zich wil verzoenen met God. Ik heb er niets tegen. Maar,
zoo al wachtende, viel myn oog op een dames-werkdoosje, dat op tafel
stond. Zonder erg bezag ik dat. Er waren een paar half-afgewerkte
kinderkousjes in, en een tal van zotte verzen. Ook een brief aan
Sjaalmans vrouw, zooals uit het opschrift bleek. De brief was geopend,
en zag er uit alsof men hem in drift had saamgeknepen. Nu is myn vast
principe, nooit iets te lezen dat niet aan my gericht is, omdat ik dit
niet fatsoenlyk vind. Ik doe het dan ook nooit als ik er geen belang by
heb. Maar nu kreeg ik een ingeving dat het myn plicht was, dien brief
eens intezien omdat de inhoud my misschien zou voorlichten omtrent de
menschlievende bedoeling die me tot Sjaalman voerde. Ik dacht er aan,
hoe toch de Heer altyd naby de Zynen is, daar Hy me hier onverwachts in
de gelegenheid stelde, iets meer van dien man te weten te komen, en me
dus behoedde voor 't gevaar een weldaad te bewyzen aan een onzedelyk
persoon. Ik let nauwkeurig op zulke vingerwyzingen van den Heer, en dit
heeft me dikwyls veel nut in de zaken gedaan. Tot myn groote
verwondering zag ik, dat die vrouw van Sjaalman van deftige familie was,
althans de brief was geteekend door een bloedverwant, wiens naam in
Nederland aanzienlyk is, en ik was inderdaad opgetogen over den schoonen
inhoud van dat schryven. Het scheen iemand te zyn, die yverig werkt voor
den Heer, want hy schreef "dat de vrouw van Sjaalman zich moest laten
scheiden van zulk een ellendeling, die haar armoed liet lyden, die zyn
brood niet kon verdienen, die bovendien een schurk was, omdat hy
schulden had … dat de schryver van den brief met haar toestand begaan
was, hoewel zy zich dat lot had op den hals gehaald door eigen schuld,
daar ze den Heer had verlaten, en Sjaalman aanhing … dat ze tot den
Heer moest terugkeeren, en dat dan de heele familie misschien de handen
zou inéénslaan, om haar naaiwerk te bezorgen. Maar vóór alles moest ze
scheiden van dien Sjaalman, die een ware schande was voor de familie."🔗
Kortom, in de kerk zelf was niet meer stichting te halen dan er in dien
brief stond.🔗
Ik wist genoeg, en was dankbaar dat ik op zoo wonderbare wys was
gewaarschuwd. Zonder deze waarschuwing toch ware ik zeker weer 't
slachtoffer geworden van myn goed hart. Ik besloot dus nogmaals om
Bastiaans maar te houden tot ik een geschikten vervanger vind, want ik
zet niet gaarne iemand op-straat, en we kunnen op 't oogenblik geen
bediende missen, omdat er zooveel by ons omgaat.🔗
De lezer zal wel nieuwsgierig zyn, te weten hoe ik 't gemaakt heb op den
laatsten krans, en of ik den triolet heb gevonden? Ik ben niet op den
krans geweest. Er zyn wonderlyke dingen voorgevallen: ik ben naar
Driebergen geweest, met myn vrouw en Marie. Myn schoonvader, de oude
Last, de zoon van den eersten Last—toen de Meyers er nog in waren, maar
die zyn er lang uit—had al zoo dikwyls gezegd, dat hy myn vrouw en
Marie eens wilde zien. Nu was 't vry goed weer, en myn vrees voor de
liefdegeschiedenis waarmee Stern gedreigd had, bracht my op-eens weer
die uitnoodiging in de gedachten. Ik sprak er over met onzen boekhouder,
die een man is van veel ondervinding, en me na ryp beraad in overweging
gaf, my op myn plan te beslapen. Dit nam ik terstond voor, want ik ben
snel in de uitvoering van myn besluiten. Den volgenden dag reeds zag ik
in, hoe wys die raad geweest was, want de nacht had my op het denkbeeld
gebracht, dat ik niet beter kon doen dan de beslissing uittestellen tot
vrydag. Kortom, na rypelyk alles te hebben overwogen—er was veel vóór,
maar ook veel tegen—zyn we gegaan, saturdag-middag, en maandag-morgen
teruggekeerd. Ik zou dit alles niet zoo uitvoerig verhalen, als 't niet
in nauw verband stond met myn boek. Ten-eerste hecht ik er aan, dat ge
zoudt weten, waarom ik niet protesteer tegen de zotternyen die Stern den
laatsten zondag zeker weer heeft uitgekraamd.—Wat is dat voor een
vertelling, van iemand die wat hooren zou als hy dood was? Marie sprak
er van. Ze had het van de Rosemeyertjes, die in suiker doen.—Ten-tweede,
omdat ik nu op-nieuw de zekere overtuiging heb opgedaan, dat al die
vertellingen over ellende en onrust in den Oost, klinkklare leugens zyn.
Zoo ziet men, hoe 't reizen iemand in de gelegenheid stelt, de zaken goed
te doorgronden.🔗
Saturdag-avend namelyk, had myn schoonvader een uitnoodiging aangenomen
by een heer die vroeger in den Oost resident was, en nu op een groot
buiten woont. Dáár zyn we geweest, en waarlyk, ik kan de lieve ontvangst
niet genoeg roemen. Hy had zyn rytuig gezonden om ons aftehalen, en de
koetsier had een rood vest aan. Nu was 't nog wel wat te guur om de
buitenplaats te bezien, die prachtig moet wezen in den zomer, maar in
't huis zelf verlangde men naar niets meer, want er was vol-op van alles
wat vermaak geeft: een billardzaal, een bibliotheekzaal, een overdekte
yzeren glasgalery als broeikast, en de kakatoea zat op een kruk van
zilver.[157] Ik had nooit zoo-iets gezien, en maakte terstond de
opmerking, hoe toch altyd goed gedrag beloond wordt. Die man had terdeeg
op zyn zaken gepast, want hy had wel drie ridderorden. Hy bezat een
heerlyke buitenplaats, en bovendien een huis te Amsterdam. Aan 't souper
was alles getruffeld, en ook de bedienden aan tafel hadden roode vesten
aan, net als de koetsier.🔗
Daar ik veel belang stel in indische zaken—om de koffi—bracht ik
dáárop het gesprek, en zag al heel spoedig waaraan ik me te houden had.
Die resident heeft me gezegd, dat hy 't in den Oost altyd heel goed
heeft gehad, en dat er dus geen woord waar is aan al die vertellingen
over ontevredenheid onder de bevolking. Ik bracht het gesprek op
Sjaalman. Hy kende hem, en wel van een zeer ongunstige zyde. Hy
verzekerde my, dat men zeer goed had gedaan dien man wegtejagen, want hy
was een zeer ontevreden persoon, die altyd op alles aanmerking maakte,
terwyl er bovendien veel viel aftekeuren in zyn eigen gedrag. Hy
schaakte namelyk telkens meisjes, en bracht die dan by zyn eigen vrouw,
en hy betaalde zyn schulden niet, wat toch zeer onfatsoenlyk is. Daar ik
nu uit den brief dien ik gelezen had, zoo juist wist hoe gegrond al die
beschuldigingen waren, deed het me groot genoegen, te zien dat ik de
zaken zoo goed beoordeeld had, en was ik zeer tevreden met myzelf. Ik
ben hiervoor dan ook bekend by myn pilaar … dat ik altyd zoo juist
oordeel, meen ik.🔗
Die resident en zyn vrouw waren lieve, gulle menschen. Ze verhaalden ons
veel van hun levenswys in den Oost. Het moet daar toch wel aangenaam
wezen. Zy zeiden dat hun buitenplaats by Driebergen niet half zoo groot
was als hun "erf", zooals ze dat noemden, in de binnenlanden van Java,
en dat daartoe wel honderd menschen noodig waren tot onderhoud. Maar—en
dit is wel een bewys hoe bemind ze waren—dat deden die menschen geheel
om-niet, en alleen uit genegenheid. Ook verhaalden zy, dat by hun
vertrek de verkoop hunner meubelen wel tienmaal meer dan de waarde had
opgebracht, omdat de Inlandsche Hoofden zoo graag een aandenken koopen
van een resident die goed voor hen geweest is. Ik zei dit later aan
Stern, die beweerde dat het door dwang geschiedde, en dat hy dit uit
Sjaalmans pak bewyzen kon.[158] Maar ik heb hem gezegd, dat die Sjaalman
een lasteraar is, dat hy meisjes heeft geschaakt—even als die jonge
Duitscher by Busselinck & Waterman—en dat ik volstrekt geen waarde
hecht aan zyn oordeel, want dat ik nu van een resident zelf had gehoord
hoe de zaken stonden, en dus van m'nheer Sjaalman niets te leeren had.🔗
Er waren daar nog meer menschen uit den Oost, onder anderen een heer die
heel ryk was, en nog altyd veel geld verdiende aan thee, die de Javanen
voor hem moeten maken voor weinig geld, en die de Regeering van hem koopt
voor hoogen prys, om de werkzaamheid van die Javanen aantemoedigen. Ook
die heer was zeer boos op al de ontevreden menschen, die gedurig spreken
en schryven tegen de Regeering. Hy kon 't bestuur van de kolonien niet
genoeg roemen, want hy zei overtuigd te wezen dat er veel verloren werd
op de thee die men van hem kocht, en dat het dus een ware edelmoedigheid
was, by voortduring een zoo hoogen prys te betalen voor een artikel dat
eigenlyk weinig waarde heeft, en dat hyzelf dan ook niet lustte, want hy
dronk altyd chinesche thee. Ook zeide hy dat de Gouverneur-generaal die
de zoogenaamde theekontrakten had verlengd, in weerwil van de berekening
dat er door 't Land zooveel verloren wordt op die zaken, zulk een bekwaam
braaf mensch was, en vooral zulk een trouw vriend voor wie hem vroeger
gekend hadden. Want die Gouverneur-generaal had zich volstrekt niet
gestoord aan de praatjes over 't verlies op de thee, en hem, toen er
spraak was van de intrekking dier kontrakten, ik geloof in 1846, een
grooten dienst gedaan door te bepalen dat men maar altyd zou voortgaan met
het koopen van zyn thee. "Ja, riep hy uit, het hart bloedt me als ik zulke
edele menschen hoor lasteren! Als hy er niet geweest was, liep ik nu
te-voet met vrouw en kinderen."[159] Toen liet hy zyn barouchet voorkomen,
en die zag er zóó keurig uit, en de paarden staken zóó goed in 't vleesch,
dat ik best begrypen kan, hoe men gloeit van dankbaarheid voor zulk een
Gouverneur-generaal. Het doet inde ziel goed, het oog te vestigen op zoo
liefelyke aandoeningen, vooral wanneer men die vergelykt met dat verwenschte
morren en klagen van wezens als zoo'n Sjaalman.🔗
Den volgenden dag bracht die resident ons een bezoek terug, en ook die
heer voor wien de Javanen thee maken. 't Zyn beste menschen, en toch
deftig van belang! Beiden tegelyk vroegen zy met welken trein we dachten
aantekomen te Amsterdam? Wy begrepen niet wat dit beteekenen moest, maar
later werd het ons duidelyk, want toen we maandagmorgen daar aankwamen,
waren er aan de station twee bedienden, één met een rood vest, en één
met een geel vest, die tegelyk ons zeiden met den telegraaf last te
hebben bekomen, ons aftehalen met rytuig. Myn vrouw was konfuus, en ik
dacht er aan, wat Busselinck en Waterman zouden gezegd hebben, als ze
dat gezien hadden … dat er twee rytuigen tegelyk voor ons waren, meen
ik. Maar 't was niet gemakkelyk een keus te doen, want ik kon niet
besluiten een der partyen te krenken, door 't afwyzen van een zoo lieve
attentie. Goede raad was duur. Maar ik heb my uit die hoogstmoeielyke
omstandigheid alweer gered. Ik heb myn vrouw en Marie in 't roode rytuig
gezet—in den wagen van 't rooie vest, meen ik—en ik ben in 't gele
gaan zitten … in 't gele rytuig, meen ik.🔗
Wat die paarden liepen! Op de Weesperstraat, waar 't altyd zoo vuil is,
vloog de modder rechts en links huizenhoog, en, alsof weer 't spel
sprak, daar liep die schooierige Sjaalman, in gebogen houding, met
gebukt hoofd, en ik zag hoe hy met de mouw van zyn kaal jasje, zyn bleek
gelaat trachtte te reinigen van de spatten. Ik ben zelden prettiger uit
geweest, en myn vrouw vond het ook.🔗