§ Aanteekeningen en ophelderingen Max Havelaar

128. De wyze waarop Havelaar te handelen had. In de eerste plaats was hy gebonden aan eed en instruktie, twee faktoren die hem volkomen denzelfden weg aanwezen als zyn karakter en de menschelykheid. Maar … hy zou te doen krygen met den nergens beschreven "geest des gouvernements" waarvan z'n onmiddellyke chef de zeer onderdanige dienaar was. Die "geest" wilde—niet dat er Recht geschiedde, maar slechts—dat de uiterlyke toestand rustig bleef. Ieder had het oog op eigen welstand alleen, op bevordering, op pensioen. Hoeveel Javanen men om dat doel te bereiken, straffeloos moest laten uitplunderen en vermoorden, deed niet tot de zaak. Zóó de Slymeringen, zóó de van Twisten! En dit keurt de Natie goed. Wel verre van 't Havelaar dank te wyten dat-i zich opofferde om aan dien onzedelyken toestand 'n eind te maken, gist de onbeschaamdheid zóóver dat men thans begint hem z'n onbaatzuchtigheid aanterekenen als vergryp. Hy had—als de anderen dus?—eerst z'n tyd moeten uitdienen om pensioen te krygen! M.a.w. hy had moeten deelnemen aan de schelmery, om ten-slotte z'n onwaardig leven te eindigen als kollega van Van Twist! Hoe onbeschaamd ook deze stelling wezen moge, ze heeft de verdienste van oprechtheid, of van brutale openheid althans. Wie ze verkondigt, is voorzeker 'n slecht wezen, maar …'t deert hem niet dat men 't weet. A la bonne heure, zeer godgeleerde doctor Van Vloten!

Search
Author(s)