§ Aanteekeningen en ophelderingen Max Havelaar

132. Wil men dit "zelfs" opvatten als sarkasme, my wel! Eenvoudige waarheid is, dat weinig koningen groot genoeg zyn om iets groots naast zich te dulden. De meesten zelfs hebben behoefte aan 't byzonder kleine. De afschuw van uitstekendheid gaat niet zelden boven 't eigenbelang, en menig hooggeplaatst persoon ziet liever z'n eigen zaak—en die van 't algemeen!—te-gronde gaan, dan dat hy iemand naast zich stellen zou, wiens verdiensten de zyne overschaduwen. Deze waarheid uit is oud, en—hoe treurig ook—niet onbegrypelyk. Maar dat 'n geheel Volk, wiens belangen daardoor worden verwaarlooosd, genoegen neemt met zoo'n domme jalouzie, komt me vreemder voor. Ook hier alweer staat onze Grondwet alle verbetering in den weg. De koning mag … niets wezen. 't Zy zoo! Doch waarom toch de bepalingen omtrent gezagsverdeeling zóó ingericht, dat-i by-voortduring in z'n omgeving niet veel anders te aanschouwen krygt dan middelmatigheid? Men moest zoo'n armen Koning dan toch de kans laten dat-i eens eindelyk iemand naast, onder of boven zich kreeg, die wat meer beteekende dan te verwachten is van uit de Kamer voortgekropen ministers. Sommigen beweren, naar ik hoor, dat onze Koning by de Natie niet geacht is. Of 't waar is, weet ik niet. Ook niet of hy achting verdient. Maar eilieve, meent men dat het omgekeerde mogelyk is? Dat die Koning de Natie achten kan, volgens de stalen die hy dagelyks van haar onder de oogen krygt, en die hem nota bene worden opgedrongen als de élite van 't Volk? Hoe overigens dit alles inwerkt op de benoemingen van Landvoogden voor Insulinde, heeft de ondervinding voldoende geleerd. Voor dat ambt—het gewichtigste in den Staat!—blykt ieder goed genoeg te wezen, mits hy maar passe in 't kader van de clique die vandaag toevallig op 't kussen zit. Hierover 'n hoofdstuk in den nieuwen druk van "Specialiteiten."

Search
Author(s)