Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hooge
ongenade van de Regeering eenigszins scheen gevreesd te hebben—de man
had veel kinderen, en geen vermogen—had alzoo liever met den resident
gesproken over wat hyzelf verregaande misbruiken noemde, dan die
ronduit te noemen in een officieel bericht. Hy wist dat een resident
niet gaarne een schriftelyk rapport ontvangt, dat in zyn archief blyft
liggen en later kan gelden als bewys dat hy tydig was opmerkzaam gemaakt
op deze of gene verkeerdheid, terwyl een mondelinge mededeeling hem
zonder gevaar de keus laat tusschen 't al of niet gevolg geven aan een
klacht. Zulke mondelinge mededeelingen hadden gewoonlyk een onderhoud
ten-gevolge met den Regent, die natuurlyk alles ontkende en op bewyzen
aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de stoutheid hadden gehad
zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van den Adhipatti, baden
zy om verschooning. "Neen, die buffel was hun niet afgenomen om-niet, ze
geloofden wel dat daarvoor een dubbelen prys zou betaald worden." "Neen,
ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder betaling te arbeiden
in de Sawahs van den Regent, ze wisten zeer goed dat de Adhipatti
hen later ruim zou beloond hebben." "Ze hadden hun aanklacht ingebracht
in een oogenblik van ongegronden wrevel … ze waren waanzinnig geweest,
en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande
oneerbiedigheid!"🔗
Dan wist de resident wel wat hy over die intrekking der aanklacht te
denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schoone gelegenheid
om den Regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename
taak bespaard de Regeering te "bemoeielyken" met een ongunstig bericht.
De roekelooze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de Regent
had gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met
het aangenaam bewustzyn die zaak alweer zoo goed "geschipperd" te hebben.🔗
Maar wat moest nu de adsistent-resident doen, als den volgenden dag weer
andere klagers zich by hem aanmeldden? Of—en dit geschiedde
dikwyls—als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking introkken?
Moest hy weder die zaak op zyn nota schryven, om weder daarover te
spreken met den resident, om weder dezelfde komedie te zien spelen,
alles op 't gevaar af van in het eind doortegaan voor iemand die—dom en
boosaardig dan—telkens beschuldigingen voorbracht welke gedurig moesten
worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zoo noodige
vriendschappelyke verhouding tusschen 't voornaamst Inlandsch Hoofd en
den eersten europeschen ambtenaar, als deze gedurig scheen gehoor te
geven aan valsche aanklachten tegen dat Hoofd? En vooral, wat werd er
van die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de
macht van het distrikts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als
uitvoerder van des Regents willekeur?🔗
Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. Dáárom zwierven
er zooveel Bantammers in de naburige provincien! Dáárom waren er zooveel
bewoners van Lebak onder de opstandelingen in de Lampongsche
distrikten! Dáárom had Havelaar in zyn toespraak aan de Hoofden
gevraagd: "wat is dit, dat er zooveel huizen ledig staan in de dorpen,
en waarom verkiezen velen de schaduw der bosschen elders, boven de
koelte der wouden van Bantan Kidoel?"🔗
Doch niet ieder kon vluchten. De man wiens lyk 's morgens de rivier
afdreef, nadat hy den vorigen avend, in 't geheim, schoorvoetend,
angstig, verzocht had om gehoor by den adsistent-resident … hy had
geen behoefte meer aan vlucht.[127] Misschien ware het als
menschlievendheid te achten, hem door oogenblikkelyken dood te
onttrekken aan nog eenigen tyd levens. Hem bleef de mishandeling
gespaard die hem wachtte by terugkeer in zyn dorp, en de rottingslagen
die de straffe zyn voor al wie een oogenblik meenen kon geen beest te
wezen, geen onbezield stuk hout of steen. De straffe van wie in een
aanval van dwaasheid geloofd had dat er Recht in 't land was, en dat
de adsistent-resident den wil had, en de macht, om dat Recht te
handhaven …🔗
Was 't, niet inderdaad beter dien man te beletten den volgenden dag by
den adsistent-resident terugtekeeren—zooals deze hem 's avends zeggen
liet—en zyn klachte te smoren in 't gele water van den Tjioedjoeng,
dat hem zachtkens zou afvoeren naar hare monding, gewoon als ze was
overbrengster te wezen van die broederlyke groetgeschenken der haaien in
't binnenland aan de haaien in zee?🔗
En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zyn gemoed omging
by 't bedenken dat hy tot recht-doen geroepen, en daarvoor
verantwoordelyk was aan een hoogere macht dan de macht van een Regeering
die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altyd even
gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hy werd geslingerd
door twyfel, niet aan wàt hem te doen stond, maar aan de wyze waarop
hy te handelen had?[128]🔗
Hy had aangevangen met zachtheid. Hy had tot den Adhipatti gesproken
als: "ouder broeder" en wie meenen mocht dat ik, ingenomen met den held
myner geschiedenis, de wyze waarop hy sprak, tracht te verheffen boven
maat, hoore hoe eens na zoodanig onderhoud, de Regent zyn Patteh tot
hem zond om voor de welwillendheid zyner woorden dank te zeggen, en hoe
nog lang daarna die Patteh, sprekende met den kontroleur
Verbrugge—nadat Havelaar had opgehouden adsistent-resident van Lebak
te zyn, nadat er dus van hem niets meer te hopen of te vreezen was—hoe
die Patteh by de herinnering aan zyn woorden getroffen uitriep: "nog
nooit heeft eenig heer gesproken als hy!"[129]🔗
Ja, hy wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hy had
medelyden met den Regent. Hy, die wist hoe geldgebrek kan drukken,
vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van
verschooning. De Regent was oud, en 't Hoofd van een geslacht dat op
grooten voet leefde in naburige provincien, waar veel koffi geoogst en
dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in
levenswys zoo ver te moeten achterstaan by zyn jongere verwanten?
Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerscht, by 't klimmen zyner
jaren het heil van zyn ziel voor bezoldigde bedevaarten naar Mekka en
voor aalmoezen aan gebedzingende leegloopers te kunnen inkoopen. De
ambtenaren die Havelaar in Lebak waren voorafgegaan, hadden niet altyd
goede voorbeelden gegeven. En eindelyk maakte de uitgebreidheid der
Lebaksche familie van den Regent, die geheel ten-zynen laste leefde,
hem het terugkeeren tot den goeden weg moeielyk.🔗
Zóó zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uittestellen, en
nog-eens en nòg-eens te beproeven wat er kon bereikt worden met
zachtheid.🔗
En hy ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de
fouten herinnerde waardoor hy zoo arm gemaakt was, schoot hy den Regent
gedurig op eigen verantwoordelykheid geld voor, opdat niet behoefte al
te sterk zou dringen tot vergryp, en hy vergat als gewoonlyk zich zelf
zóó ver dat hy aanbood zich en de zynen tot het strikt noodige te
bekrimpen, om den Regent ter-hulpe te komen met het weinige dat hy nog
van zyn inkomsten zou kunnen uitsparen.🔗
Indien 't nog noodig schynen mocht, de zachtmoedigheid te bewyzen
waarmee Havelaar zyn moeielyken plicht vervulde, zou dit bewys kunnen
gevonden worden in een mondelinge boodschap die hy den kontroleur
opdroeg, toen deze eens naar Serang zou vertrekken: "zeg den resident,
dat hy, hoorende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet geloove
dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond
officieele melding omdat ik den Regent, met wien ik medelyden heb,
wensch te bewaren voor te groote strengheid, daar ik eerst beproeven wil
hem door zachtheid tot zyn plicht te brengen."[130]🔗
Havelaar bleef dikwyls dagen achtereen uit. Als hy te-huis was, vond men
hem meestal in de kamer die wy op onzen platten grond vinden voorgesteld
door 't zevende vak. Daar zat hy gewoonlyk te schryven, en ontving de
personen die om gehoor lieten vragen. Hy had die plek gekozen omdat hy
daar in de nabyheid was van zyn Tine die zich gewoonlyk in de kamer
daarnaast ophield. Want zóó innig waren zy verbonden dat Max, ook als hy
bezig was met eenigen arbeid die aandacht en inspanning vorderde,
gedurig behoefte voelde haar te zien of te hooren. Het was dikwyls
koddig hoe hy op-eenmaal tot haar een woord richtte dat in zyn gedachten
over de onderwerpen die hem bezig-hielden opkwam, en hoe snel zy, zonder
te weten wat hy behandelde, den zin van zyn meening wist te vatten, die
hy haar dan ook gewoonlyk niet toelichtte, als sprak het vanzelf dat zy
wel weten zou wat hy bedoelde. Dikwyls ook, als hy ontevreden was over
eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, sprong hy op en zeide
iets onvriendelyks tot haar … die toch geen schuld had aan zyn
ontevredenheid! Maar dit hoorde zy gaarne omdat het een bewys te meer
was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook was er spraak van
berouw over zoodanige schynbare hardheid, of van vergiffenis aan de
andere zyde. Dit zou hun geweest zyn, als hadde iemand vergeving
gevraagd aan zichzelf, omdat hy in wrevel zich had geslagen voor zyn
eigen hoofd.🔗
Zy kende hem dan ook zoo goed, dat ze juist wist wanneer ze dáár moest
zyn om hem een oogenblik verpoozing te verschaffen … juist, wanneer hy
behoefte had aan haren raad, en niet minder juist, wanneer ze hem alleen
moest laten.🔗
In die kamer zat Havelaar op zekeren morgen toen de kontroleur by hem
binnentrad, met een zoo-even ontvangen brief in de hand.🔗
—Dat is een moeielyke zaak, m'nheer Havelaar, zeide hy onder 't
binnentreden. Zeer moeielyk!🔗
Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om
optehelderen waarom er een verandering was gekomen in de pryzen van
houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de kontroleur
Verbrugge al zeer spoedig iets moeielyk vond. Ik haast me dus hierby te
voegen dat veel anderen evenzeer moeielykheid zouden gevonden hebben in
't beantwoorden van die eenvoudige vraag.🔗
Voor eenige jaren was er te Rangkas-Betoeng een gevangenis gebouwd. Nu
is 't van algemeene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van
Java de kunst verstaan gebouwen opterichten die duizenden waard zyn,
zonder meer dan even zooveel honderden daarvoor uittegeven. Men verkrygt
daardoor den roep van bekwaamheid en yver voor 's lands dienst. Het
verschil tusschen de uitgegeven gelden en de waarde van het daarvoor
verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of onbetaalden
arbeid. Sedert eenige jaren bestaan er voorschriften die dit verbieden.
Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de Regeering
zelf wil dat ze nagekomen worden met een stiptheid die bezwarend
werken zou op de begrooting van 't bouwdepartement? Het zal hiermede wel
gaan zooals met veel andere voorschriften die er zoo menschlievend
uitzien op 't papier.🔗
Nu moesten er te Rangkas-Betoeng nog veel andere gebouwen worden
opgericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe
belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselyke pryzen der
arbeidsloonen en materialen. Havelaar had den kontroleur belast met een
nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de pryzen optegeven
naar waarheid, zonder terugzicht op wat vroeger geschiedde. Toen
Verbrugge aan dezen last had voldaan, bleek er dat die pryzen niet
overeen kwamen met de opgaven van eenige jaren vroeger. Van dit verschil
nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zoo moeielyk. Havelaar,
die zeer goed wist wat er achter deze schynbaar eenvoudige zaak
schuilde, antwoordde dat hy zyn denkbeelden over die moeielykheid
schriftelyk zou meedeelen, en ik vind onder de voor my liggende stukken
een afschrift van den brief die 't gevolg schynt van deze toezegging.🔗
Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een korrespondentie
over de pryzen van houtwerken, waarmee hy schynbaar niet te maken heeft,
moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier eigenlyk spraak
is van geheel iets anders, van den toestand namelyk der ambtelyke
Indische huishouding, en dat de brief dien ik meedeel niet alleen een
straal van licht te meer werpt op 't kunstmatig optimismus waarvan ik
gesproken heb, maar tevens de moeielykheden schetst, waarmee iemand te
kampen had die zooals Havelaar rechtuit en zonder omzien zyn weg
wilde gaan.🔗
"N° 114 Rangkas-Betoeng, 15 Maart 1856.🔗
Aan den Kontroleur van Lebak.🔗
Toen ik den brief van den Direkteur der Openbare-Werken, van den
16den Februari l.l., N° 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht
het daarby gevraagde, na overleg met den Regent, te beantwoorden met
in-achtneming van wat ik schreef in myn missive van 5 dezer N° 97.🔗
Die missive bevatte eenige algemeene wenken omtrent hetgeen als
billyk en rechtvaardig te beschouwen is by 't bepalen der pryzen van
materialen, door de bevolking te leveren aan, en op last van,
het Bestuur.🔗
By uwe missive van 8 dezer, N° 6, hebt ge daaraan—en naar ik geloof,
volgens uw beste weten—voldaan, zoodat ik, vertrouwende op uw lokale
kennis en die des Regents, die opgaven, zooals ze door u waren
gesteld, den resident heb aangeboden.🔗
Daarop volgde eene missive van dien hoofdambtenaar, van 11 dezer,
N° 326, waarby inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het
verschil tusschen de door my opgegeven pryzen, en die welke in 1853
en 1854 by het opbouwen eener gevangenis besteed werden?🔗
Ik stelde natuurlyk dien brief in uwe handen, en gelastte u
mondeling, alsnu uwe opgave te justificeeren, hetgeen u te minder
moeielyk moest vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften
u in myn schryven van den 5en dezer gegeven, en die we mondeling
meermalen uitvoerig bespraken.🔗
Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelyk.🔗
Maar gisteren kwaamt ge ten-mynen-kantore, met den gerenvoieerden
brief des residents in de hand, en begon te spreken over de
moeielykheid der afdoening van het daarin voorkomende. Ik ontwaarde
by u wederom zekeren schroom om sommige zaken by den waren naam te
noemen, iets waarop ik u reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder
anderen onlangs in tegenwoordigheid van den resident, iets wat ik ter
bekorting halfheid noem, en waartegen ik u reeds dikwyls
vriendschappelyk waarschuwde.🔗
Halfheid leidt tot niets. Half-goed is niet goed. Half-waar is
on-waar.🔗
Voor vol traktement, voor vollen rang, na een duidelyken volledigen
eed, doe men zyn vollen plicht.🔗
Is er soms moed noodig dien te volvoeren, men bezitte dien.🔗
Ik voor my zou den moed niet hebben dien moed te missen. Want,
afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van
plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelyker
omwegen, de zucht om altyd en overal botsing te ontgaan, de begeerte
om te "schipperen" meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op
den rechten weg ontmoeten zal. Gedurende den loop eener zeer
belangryke zaak, die thans by 't Gouvernement in overweging is, en
waarin gy eigenlyk ambtshalve behoorde betrokken te zyn, heb ik u
stilzwygend als het ware neutraal gelaten, en slechts lachend van-tyd
tot-tyd daarop gezinspeeld.🔗
Toen, by-voorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en
hongersnood onder de bevolking by my was ingekomen, en ik daarop
schreef: "dit alles moge de waarheid zyn, het is niet al de waarheid,
noch de voornaamste waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper" stemde gy
dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van myn recht, te eischen
dat ge dan ook die hoofdwaarheid noemen zoudt.🔗
Ik had tot myn inschikkelykheid vele redenen, en onder anderen deze,
dat ik 't onbillyk vond op-eenmaal iets van U te vorderen, wat vele
anderen in uw plaats evenmin zouden presteeren, U te dwingen zoo
op-eenmaal de routine van achterhoudendheid en menschenvrees vaarwel
te zeggen, die niet zoozeer uw schuld is als wel die der leiding
welke u te beurt viel. Ik wilde eindelyk eerst u een voorbeeld geven
hoeveel eenvoudiger en gemakkelyker het is, zyn plicht geheel te
doen dan half."🔗
Thans echter, nu ik de eer heb u weder zooveel dagen langer onder myn
bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelyk in de gelegenheid stelde,
principes te leeren kennen die—tenzy ik dwaal—ten-laatste zullen
zegevieren[131] wenschte ik dat ge die aannaamt, dat gy u de niet
ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maakte die er
noodig schynt om altyd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er
te zeggen valt, en dat ge dus geheel-en-al varen liet dien onmannelyken
schroom om flink voor een zaak uittekomen.🔗
Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar volledige opgave van wat u
voorkomt de oorzaak te wezen van 't prysverschil tusschen nu en
1853 of 1854.🔗
Ik hoop ernstig dat gy geen enkele zinsnede van dezen brief zult
opnemen, als geschreven met de bedoeling om u te krenken. Ik vertrouw
dat ge my genoeg hebt leeren kennen om te weten dat ik niet meer of
minder zeg dan ik meen, en bovendien geef ik u nog ten-overvloede de
verzekering dat myn opmerkingen eigenlyk minder U betreffen, dan de
school waarin ge tot Indisch ambtenaar gevormd zyt.🔗
Deze circonstance atténuante zou echter vervallen wanneer ge,
langer met my omgaande en 't Gouvernement onder myn leiding dienende,
voortgingt den slender te volgen waartegen ik my verzet.🔗
Ge hebt opgemerkt dat ik my van het "Uweledelgestrenge" heb
ontslagen: 't verveelde my. Doe het ook, en laat onze "weledelheid"
en waar 't noodig is onze "gestrengheid" elders en vooral ànders
blyken, dan uit die vervelende, zinstorende titulatuur.🔗
De Adsistent-resident van Lebak🔗
Het antwoord op dezen brief bezwaarde sommigen van Havelaars voorgangers,
en bewees dat hy niet zoo onrecht had, toen hy de "slechte voorbeelden
van vroegeren tyd" mede opnam onder de redenen die pleiten konden ter
verschooning van den Regent.🔗
Ik ben in 't meedeelen van dezen brief den tyd vooruitgeloopen, om reeds
nu te doen in 't oog vallen, hoe weinig hulp Havelaar van den kontroleur
te verwachten had, zoodra geheel andere, meer belangryke, zaken zouden
moeten genoemd worden by den rechten naam, wanneer reeds deze ambtenaar
die zonder twyfel een braaf mensch was, zóó moest worden toegesproken om
de waarheid te zeggen waar het slechts de opgaven der pryzen van hout,
steen, kalk en arbeidsloon gold. Men beseft alzoo dat hy niet alleen te
stryden had met de macht der personen die voordeel genoten van misdryf,
maar tevens met de beschroomdheid dergenen die—hoezeer dat misdryf
evenzeer afkeurende als hy—zich niet geroepen of geschikt achtten
daartegen met den vereischten moed optetreden.🔗
Misschien ook zal men na 't lezen van dien brief, eenigszins terugkomen
van de minachting voor de slaafsche onderworpenheid van den Javaan die
in tegenwoordigheid van zyn Hoofd de ingebrachte beschuldiging, hoe
gegrond ook, lafhartig terugtrekt. Want, als men bedenkt dat er zooveel
oorzaak was tot vreeze, zelfs voor den europeschen beambte, die dan toch
geacht kon worden iets minder bloottestaan aan wraak, wat wachtte dan
den armen landbewoner, die in een dorp ver van de hoofdplaats
geheel-en-al in de macht zyner aangeklaagde onderdrukkers verviel? Is
't wonder dat die arme menschen, verschrikt over de gevolgen van hun
stoutheid, die gevolgen zochten te ontwyken of te verzachten door
deemoedige onderwerping?🔗
En 't was niet alleen de kontroleur Verbrugge, die zyn plicht deed met
een schuwheid als voegen zou aan plichtverzuim. Ook de Djaksa, 't
Inlandsch Hoofd dat by den Landraad het ambt van publieke aanklager
vervult, trad liefst 's avends, ongezien en zonder gevolg, in Havelaars
woning. Hy, die diefstal moest tegengaan, dien 't was opgedragen den
sluipenden dief te betrappen, hy sloop, als ware hyzelf de dief die
betrapping vreesde, met zachten tred het huis aan de achterzyde in, na
zich eerst te hebben overtuigd dat geen gezelschap daar was, dat later
hem zou kunnen verraden als schuldig aan plichtsbetrachting.🔗
Was 't wonder dat Havelaars ziel bedroefd was, en dat Tine meer dan ooit
noodig had zyn kamer binnentetreden om hem optebeuren, als ze zag hoe hy
daar zat met de hand onder 't hoofd?🔗
En toch was voor hem 't grootst bezwaar niet gelegen in de
schroomvalligheid van wie hem ter-zyde stonden, noch in de medeplichtige
lafhartigheid van wie zyn hulp hadden ingeroepen. Neen, geheel alleen
des-noods zou hy recht doen, met of zonder hulp van anderen dan, ja,
tegen allen, al ware 't ook tegen henzelf die behoefte hadden aan dat
recht! Want hy wist hoe hy invloed had op het Volk, en hoe—als eenmaal
de arme onderdrukten, opgeroepen om luide en voor 't gerecht te herhalen
wat ze hem 's avends en 's nachts hadden toegefluisterd in eenzaamheid
—hy wist hoe hy de macht had op hun gemoederen te werken, en hoe de
kracht zyner woorden sterker zyn zou dan de angst voor wraak van
Distriktshoofd of Regent. De vrees dat zyn beschermelingen zouden
afvallen van hun eigen zaak weerhield hem dus niet. Maar 't kostte hem
zooveel dien ouden Adhipatti aanteklagen: dàt was de reden van zyn
tweestryd! Want ook aan den anderen kant mocht hy niet toegeven in dezen
weerzin, daar de geheele bevolking, afgescheiden nog haar goed recht,
evenzeer aanspraak had op medelyden.🔗
Vrees voor eigen leed had geen deel in zyn twyfel. Want al wist hy hoe
ongaarne in 't algemeen de Regeering een Regent ziet aanklagen, en
hoeveel gemakkelyker 't sommigen valt den europeschen beambte broodeloos
te maken dan een Inlandsch Hoofd te straffen, hy had een byzondere reden
om te gelooven dat er juist op dit oogenblik by de beoordeeling van
zulke zaak andere grondstellingen dan de gewone zouden voorheerschen.
Het is waar dat hy, ook zonder deze meening, evenzeer zyn plicht zou
gedaan hebben, te liever zelfs als hy 't gevaar voor zich en de zynen
grooter had geacht dan ooit. We zeiden reeds dat moeielykheid hem
aantrok, en hoe hy dorstte naar opoffering. Doch hy meende dat de
aanlokkelykheid van een zelfoffer hier niet bestond, en vreesde—als hy
in 't eind zou moeten overgaan tot ernstigen stryd tegen 't onrecht—zich
te moeten spenen van 't ridderlyk genoegen dien stryd te hebben aangevangen
als de zwakste.🔗
Ja, dit vreesde hy. Hy meende dat er aan 't hoofd van de Regeering een
Gouverneur-generaal stond die zyn bondgenoot wezen zou, en 't was een
eigenaardigheid te meer in zyn karakter, dat deze meening hem van
strenge maatregelen terughield, langer juist dan iets anders hem zou
weerhouden hebben, omdat het hem stuitte het Onrecht aantegrypen op een
oogenblik dat hy 't Recht voor sterker hield dan gewoonlyk. Ik zeide
immers reeds in de proeve der beschryving van zyn inborst, dat hy naïf
was by al zyn scherpte?🔗
Laat ons trachten optehelderen hoe Havelaar tot die meening gekomen was.🔗
* * * * *🔗
Zeer weinig europesche lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van
de hoogte waarop een Gouverneur-generaal staan moet als mensch, om niet
beneden de hoogte zyner bediening te blyven, en 't gelde dan ook niet
als een te streng oordeel wanneer ik de meening aankleef dat zeer
weinigen, geenen misschien, aan zóó zwaren eisch hebben kunnen
beantwoorden. Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen
die daartoe noodig zyn, vestige men slechts 't oog op de duizelingwekkende
hoogte waarop zoo eensklaps de man wordt geplaatst, die—gisteren nog
eenvoudig burger—heden macht heeft over millioenen onderdanen. Hy die
voor weinig tyds nog verscholen was onder zyn omgeving, zonder daarboven
uittesteken in rang of gezag, voelt zich op-eenmaal, onverwachts meestal,
opgeheven boven een menigte, oneindig grooter dan de kleine kring die hem
vroeger toch geheel voor 't oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten-
onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan
de duizeling van iemand die onverwachts een afgrond voor zich ziet, of aan
de blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden overgebracht van
diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke overgangen zyn de zenuwen van
gezicht of hersenen niet bestand, ook al waren zy overigens van buitengewone
sterkte.🔗
Indien alzoo reeds in zichzelf de benoeming tot Gouverneur-generaal
veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van denzulken die
uitstekend was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van
personen die reeds vóór die benoeming leden aan veel gebreken? En al
stellen we voor een oogenblik dat de Koning altyd goed is voorgelicht,
als hy zyn hoogen naam teekent onder de akte waarin hy zegt overtuigd te
wezen van de "goede trouw, den yver en de bekwaamheden" des benoemden
Stedehouders, al nemen wy aan dat de nieuwe Onderkoning yverig, trouw en
bekwaam is, dan nog blyft het de vraag of die yver, en vooral of die
bekwaamheid, by hem bestaat in eene maat, hoog genoeg verheven boven
middelmatigheid, om aan de eischen van zyn roeping te voldoen.🔗
Want de vraag kan niet zyn of de man die te 's Gravenhage voor 't eerst
als Gouverneur-generaal het kabinet des Konings verlaat, op dàt
oogenblik de bekwaamheid bezit die noodig zal wezen voor zyn nieuw ambt
… dit is onmogelyk! Met de betuiging van vertrouwen op zyn
bekwaamheid kan slechts de meening bedoeld zyn dat hy in een geheel
nieuwen werkkring, op een gegeven oogenblik, by ingeving als 't ware,
weten zal wat hy te 's Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere
woorden: dat hy een genie is, een genie dat op eenmaal kennen moet en
kunnen, wat het kende noch kon. Zulke genien zyn zeldzaam, zelfs onder
personen die in gunste staan by koningen.[132]🔗
Daar ik van genien spreek, gevoelt men dat ik wil over slaan wat er zou
te zeggen vallen van zoo menigen Landvoogd. Ook zou 't me stuiten in myn
boek bladzyden intevoegen die 't ernstig doel van dit werk zouden
blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de
byzonderheden die bepaalde personen zouden raken voorby maar als
algemeene ziektegeschiedenis van de Gouverneurs-generaal, meen ik te
mogen opgeven: eerste stadium. Duizeling. Wierook-dronkenschap.
Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van
"oudgasten." Tweede stadium. Afmatting. Vrees. Moedeloosheid. Neiging
tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op den Raad van Indie.
Afhankelykheid van de Algemeene Sekretarie. Heimwee naar een hollandsche
buitenplaats.🔗
Tusschen deze beide stadien in, en als overgang—misschien zelfs als
oorzaak van dien overgang—liggen dyssenterische buikaandoeningen.🔗
Ik vertrouw dat velen in Indie me dankbaar zullen wezen voor deze
diagnose. Ze is nuttig toetepassen, want men kan voor zeker houden dat
de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een
mug, later—na de buikziekte!—zonder bezwaar kemels zal verdragen. Of,
om duidelyker te spreken, dat een beambte die "geschenken aanneemt,
niet met het doel zich te verryken"—by-voorbeeld een bos pisang
ter-waarde van eenige duiten—met smaad en schande zal worden weggejaagd
in de eerste periode der ziekte, maar dat iemand die 't geduld heeft
het laatste tydperk aftewachten, zeer gerust en zonder eenige vrees
voor straf, zich zal kunnen meester maken van den tuin waar de pisang
groeide, met de tuinen die daarnaast liggen er by … van de huizen die
in den omtrek staan … van wat er in die huizen is … en van nog
een-en-ander meer, ad libitum.[133]🔗
Ieder doe met deze pathologisch-wysgeerige opmerking zyn voordeel, en
houde myn raad geheim, ter voorkoming van te groote mededinging.🔗
Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich moeten
kleeden in 't lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om
begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is 't de schuld
myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen
van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder myn styl te
zoeken by Figaro of Polichinel?🔗
Styl … ja! Daar liggen stukken voor my, waarin styl is Styl die
aantoonde dat er een mensch in de buurt was, een mensch wien het de
moeite waard geweest ware, de hand te reiken! En wat heeft die styl den
armen Havelaar gebaat? Hy vertaalde zyn tranen niet in gegryns, hy
spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur of door
de grappen van den uitroeper voor de kermistent … wat heeft het hem
gebaat?🔗
Kon ik schryven zooals hy, ik zou ànders schryven dan hy.🔗
Styl? Hebt ge gehoord hoe hy sprak tot de Hoofden? Wat heeft het hem
gebaat?🔗
Kon ik spreken zooals hy, ik zou ànders spreken dan hy.🔗
Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid,
duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius'
justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van
bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en
hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar,
onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit?🔗
Styl? Hy had styl! Hy had te veel ziel om zyn gedachten te verdrinken
in de "ik heb de eers" en de "edelgestrengheden" en de "eerbiedig-in-
overweging-gevingen" die den wellust uitmaken van de kleine wereld waarin
hy zich bewoog. Als hy schreef, doordrong u iets by 't lezen, dat u
begrypen deed hoe er wolken dreven by dat onweder, en dat ge niet het
gerammel hoorde van een blikken tooneeldonder. Als hy vuur sloeg uit zyn
denkbeelden, voelde men de hitte van dat vuur, tenzy men geboren kommies
was, of Gouverneur-generaal, of schryver van 't walgelykst verslag over
"rustige rust." En wat heeft het hem gebaat?🔗
Als ik dus wil worden gehoord—en verstaan vooral!—moet ik ànders
schryven dan hy. Maar hoe dan?🔗
Zie, lezer, ik zoek naar 't antwoord op dat hoe? en daarom heeft myn
boek een zoo bont aanzien. Het is een staalkaart: bepaal uw keuze. Later
zal ik u geel of blauw of rood geven naar uwen wensch.🔗
Havelaar had de Gouverneurs-ziekte reeds zoo dikwyls waargenomen by zoo
véél lyders—en vaak in animâ vili, want er zyn analogische residents-,
kontroleurs- en surnumerairsziekten, die tot de eerste in verhouding staan
als mazelen tot pokken, en eindelyk: hyzelf had aan die ziekte geleden!
—reeds zóó dikwyls had hy dat alles waargenomen, dat hy de verschynselen
daarvan vry-wel kende. Hy had den tegenwoordigen Gouverneur-generaal in
't begin van de ongesteldheid minder duizelig gevonden dan de meeste
anderen, en hy besloot hieruit dat ook de verdere loop der ziekte een
andere richting nemen zou.🔗
Het was om deze reden dat hy vreesde de sterkste te zullen zyn, wanneer
hy in 't eind zou moeten optreden als verdediger van het goed recht der
inwoners van Lebak.🔗