In 't partikulier briefje dat de heer Slymering aan Havelaar zond,
deelde hy dezen mede dat hy in weerwil zyner "drukke bezigheden" den
volgenden dag te Rangkas-Betoeng zou komen om te overleggen wat er
moest gedaan worden. Havelaar, die maar al te goed wist wat zulke
overlegging te beteekenen had—zyn voorganger had zoo dikwyls
"geaboucheerd" met den resident van Bantam!—schreef den volgenden
brief, dien hy den resident te-gemoet zond opdat deze dien zou gelezen
hebben voor hy op de Lebaksche hoofdplaats aankwam. Kommentaar op dit
stuk is overbodig.🔗
"N° 91. Geheim. Spoed. Rangkas-Betoeng, 25 Februari 1856,
desavends te 11 ure.🔗
Gisteren middag te 12 ure had ik de eer tot u aftezenden myn
spoedmissive N° 88, houdende in substantie:🔗
dat ik na lang onderzoek, en na vergeefs getracht te hebben den
betrokkene door zachtheid terugtebrengen van zyn verkeerdheid, my
krachtens myn ambtseed verplicht gevoelde den Regent van Lebak te
BESCHULDIGEN van misbruik van gezag, en dat ik, hem VERDACHT hield
van knevelary.🔗
Ik was zoo vry in dien brief u voortestellen dat Inlandsch Hoofd naar
Serang opteroepen, ten-einde na zyn vertrek en na neutralisatie
van den bedervenden invloed zyner uitgestrekte familie[160] een
onderzoek te doen instellen naar de gegrondheid myner beschuldiging
en van myn vermoeden.🔗
Lang, of juister gezegd veel, had ik nagedacht voor ik daartoe
besloot.🔗
Het was u door myn zorg bekend dat ik getracht heb door vermaningen
en bedreigingen den ouden Regent voor ongeluk en schande te bewarenen
myzelf voor de diepe grieve, daarvan—zy 't dan ook alleen de
onmiddelyk voorafgaande oorzaak te zyn.🔗
Doch ik zag aan den anderen kant de sedert jaren uitgezogene, diep
gedrukte bevolking, ik dacht aan de noodzakelykheid van een
voorbeeld—want vele andere vexatien zal ik u te rapporteeren
hebben, als niet ten-minste deze zaak door terugwerking daaraan een
eind maakt—en, ik herhaal het, na ryp beraad heb ik gedaan wat ik
voor plicht hield.🔗
Op dit oogenblik ontvang ik uwe vriendelyke en geachte partikuliere
letteren, houdende mededeeling dat gy morgen hier zult komen, en
tevens een wenk dat ik deze zaak liever vooraf partikulier had moeten
behandelen.🔗
Morgen dus zal ik de eer hebben u te zien, en het is juist hierom dat
ik vryheid neem u dezen te-gemoet te zenden, om vóór die ontmoeting
het volgende te konstateeren.🔗
Alles wat ik omtrent de handelingen van den Regent onderzocht, was
diep geheim. Alleen hyzelf en de Patteh wisten het, want ik had
hem loyaal gewaarschuwd. Zelfs de kontroleur weet nu nog maar
ten-deele den uitslag van myn onderzoekingen.[161] Deze geheimhouding
had een tweeledig doel. Eerst, toen ik nog hoopte den Regent van zyn
weg terugtebrengen, was het om, àls ik slaagde, hem niet te
kompromitteeren. De Patteh heeft my namens hem—het was op den
12den dezer—expresselyk voor die diskretie bedankt.[162] Doch later
toen ik begon te wanhopen aan den goeden uitslag myner pogingen, of
beter, toen de maat myner verontwaardiging door een pas gehoord
voorval overliep[163] toen langer zwygen medeplichtigheid worden
zou, toen moest die geheimhouding strekken ten-mynen-behoeve, want
ook omtrent myzelf en de mynen heb ik plichten te vervullen.🔗
Immers na 't schryven der missive van gister, zou ik onwaardig zyn
het Gouvernement te dienen, indien het daarin voorkomende, ydel,
ongegrond, uit de lucht gegrepen was. En zoude of zal het my mogelyk
wezen te bewyzen dat ik gedaan heb: "wat een goed Adsistent-resident
behoort te doen"[164] te bewyzen dat ik niet beneden de betrekking
sta die my gegeven is, te bewyzen dat ik niet loszinnig en
lichtvaardig zeventien moeielyke dienstjaren op 't spel zet, en wat
meer zegt, het belang van vrouw en kind … zal 't my mogelyk zyn dat
alles te bewyzen, wanneer niet een diep geheim myn nasporingen
verbergt, en den schuldige belet zich, zooals men 't noemt, te
dekken?[165]🔗
By de minste verdenking zendt de Regent een expresse naar zyn neef
die op-weg is, en die belang heeft by zyn maintien. Hy vraagt,
ten-koste van wat ook, geld, deelt het met kwistige hand uit aan
ieder dien hy in den laatsten tyd heeft te-kort gedaan, en 't gevolg
zou wezen—ik hoop, niet te moeten zeggen: zal wezen—dat ik een
lichtvaardig oordeel heb geveld, en kortaf: een onbruikbaar ambtenaar
ben, om niet erger te zeggen.🔗
Om my tegen deze eventualiteit te verzekeren, dient dit schryven. Ik
heb de meeste hoogachting voor u, maar ik ken den geest dien men "de
geest der Oost-Indische ambtenaren" zou kunnen noemen[166] en ik
bezit dien geest niet!🔗
Uw wenk dat de zaak vooraf beter partikulier ware behandeld
geworden, doet me vreezen voor een abouchement. Wat ik in myn brief
van gisteren gezegd heb, is waar. Doch misschien zou het onwaar
schynen, wanneer de zaak werd behandeld op een wyze als zou kunnen
strekken tot openbaarmaking van myne beschuldiging en van myn
vermoeden, voor de Regent van hier verwyderd is.🔗
Ik mag u niet ontveinzen dat zelfs uw onverwachte komst, in verband
met de gister door my naar Serang gezonden expresse, my doet
vreezen dat de schuldige die vroeger niet wilde toegeven aan myn
vermaningen, nu vóór den tyd zal wakker worden en trachten, zoo
mogelyk, zich tant soit peu te diskulpeeren.[167]🔗
Ik heb de eer my thans nog letterlyk te gedragen aan myne missive van
gister, doch neem de vryheid daarby optemerken dat die missive óók
het voorstel inhield: om vóór het onderzoek den Regent te
verwyderen, en zyn afhangelingen voorloopig, onschadelyk te maken.
Ik vermeen niet verder verantwoordelyk te zyn voor wat ik avanceerde,
dan voor-zoover gy mocht gelieven intestemmen met myn voorstel
betreffende de wyze van onderzoek, dat is: onpartydig, openlyk, en
vooral vry.🔗
Die vryheid bestaat niet voor de Regent verwyderd is, en naar myn
bescheiden meening ligt hierin niets gevaarlyks. Hem kan immers
gezegd worden dat ik hem beschuldig en verdenk, dat ik gevaar
loop, en niet hy, wanneer hy onschuldig is. Want ikzelf ben van
oordeel dat ik uit de dienst behoor ontslagen te worden, als er
blyken zal dat ik lichtvaardig, of zelfs maar voorbarig heb
gehandeld.[168]🔗
Voorbarig! Na jaren, jaren, misbruik!🔗
Voorbarig! Als een eerlyk man slapen kon, en leven en genieten, zoo
lang zy voor wier welzyn hy geroepen is te waken, zy die in den
hoogsten zin zyn naasten zyn, worden gekneveld en uitgezogen!🔗
Het is waar, ik ben hier kort, doch ik hoop dat de vraag eenmaal
wezen zal: wat men gedaan heeft, of men het goed gedaan heeft,
niet of men het in te korten tyd heeft gedaan. Voor my is elke tyd
te lang die gekenmerkt wordt door afpersing en onderdrukking, en
zwaar weegt my de sekonde die door myn nalatigheid, door myn
plichtverzuim, door myn "geest van schipperen" in ellende zou
doorgebracht zyn.🔗
Ik heb berouw over de dagen die ik heb laten verloopen voor ik u
officieel rapporteerde, en ik vraag verschooning voor dat verzuim.🔗
Ik neem de vryheid u te verzoeken my in de gelegenheid te stellen myn
schryven van gisteren te rechtvaardigen, en my te vrywaren voor de
mislukking myner pogingen om de afdeeling Lebak te bevryden van de
wormen die sedert menschen-geheugenis knagen aan haar welvaart.🔗
Het is daarom dat ik op-nieuw zoo vry ben, u te verzoeken myne
handelingen ten deze—trouwens alleen bestaande in onderzoek,
rapport en voorstel[169]—wel te willen goedkeuren, den Regent van
Lebak, zonder voorafgaande direkte of indirekte waarschuwing
van hier te verwyderen, en voorts te doen instellen een onderzoek
naar hetgeen ik meedeelde in myn schryven van gisteren N° 88.[170]🔗
De Adsistent-resident van Lebak,🔗
Deze bede om de schuldigen niet in bescherming te nemen, ontving de
Resident onderwege. Een uur na zyn komst te Rangkas-Betoeng legde hy
een kort bezoek by den Regent af, en vroeg hem by die gelegenheid: wat
hy kon inbrengen tegen den Adsistent-resident? en: of hy, Adhipatti,
geld noodig had? Op de eerste vraag antwoordde de Regent: "niets, dat
kan ik bezweren!" Op de tweede antwoordde hy toestemmend, waarop de
resident hem een paar bankbriefjes gaf, die hy—voor de gelegenheid
meegebracht!—uit zyn vestzak haalde. Men begrypt dat dit geheel buiten
Havelaar omging, en straks zullen wy te weten komen hoe die schandelyke
handelwyze hem bekend werd.[171]🔗
Toen de resident Slymering by Havelaar afstapte, was hy bleeker dan
gewoonlyk, en zyn woorden stonden verder van elkander dan ooit. Het was
dan ook geen geringe zaak voor iemand die zóó uitmuntte in "schipperen"
en jaarlyksche rustverslagen, zoo op-eenmaal brieven te ontvangen waarin
geen spoor was, noch van 't gebruikelyk officieel optimismus, noch van
kunstige omwending der zaak, noch van vrees voor ontevredenheid van de
Regeering over 't "bemoeielyken" met ongunstige berichten. De resident
van Bantam was geschrokken, en als men my de onedelheid van 't beeld
wil vergeven om-den-wille van de juistheid, heb ik lust hem te
vergelyken by een straatjongen die zich beklaagt over verkrachting van
voorouderlyke gewoonten, omdat een excentriek kameraadje hem zonder
voorafgaande scheldwoorden geslagen heeft.🔗
Hy begon met den kontroleur te vragen waarom deze niet beproefd had
Havelaar van zyn aanklacht terugtehouden? De arme Verbrugge, wien de
geheele aanklacht onbekend was, betuigde dit, maar vond geen geloof. De
heer Slymering kon maar niet begrypen dat iemand, geheel alleen, op
eigen verantwoordelykheid en zonder langgerekte overwegingen of
"ruggespraken" had kunnen overgaan tot zóó ongehoorde plichtsvervulling.
Daar evenwel Verbrugge—volkomen naar waarheid—zyn onbekendheid met de
door Havelaar geschreven brieven staande hield, moest de resident na
veel uitroepingen van ongeloovige verbazing eindelyk wel toegeven, en hy
ging—ik weet niet waarom?—tot het voorlezen van die brieven over.🔗
Wat Verbrugge by 't aanhooren daarvan leed, is moeielyk te beschryven.
Hy was een eerlyk man, en zou zeker niet gelogen hebben als Havelaar
zich op hem had beroepen om de waarheid van den inhoud der brieven te
staven. Maar ook zonder deze eerlykheid, hy had in veel schriftelyke
rapporten niet altyd kùnnen vermyden de waarheid te zeggen, ook waar die
soms gevaarlyk was. Hoe zou 't zyn, als Havelaar daarvan gebruik maakte?🔗
Na 't voorlezen van de brieven betuigde de resident dat het hem
aangenaam wezen zou indien Havelaar die stukken terugnam, om ze te
kunnen beschouwen als niet geschreven, hetgeen deze met beleefde
vastheid weigerde. Na vergeefs te hebben getracht hem hiertoe te
bewegen, zei de resident dat hem niets overbleef dan een onderzoek
intestellen naar de gegrondheid van de gedane klachten, en dat hy dus
Havelaar verzoeken moest de getuigen te doen oproepen die zyn
beschuldigingen konden staven.🔗
Arme lieden die u gewond hadt aan de doornstruiken in den ravyn, hoe
angstig zouden uw harten geklopt hebben als ge dezen eisch hadt
kunnen hooren!🔗
Arme Verbrugge! Gy, eerste getuige, hoofdgetuige, getuige ex officio,
getuige uit kracht van ambt en eed! Getuige, die reeds getuigd hàdt op
schrift! Op schrift dat dáár lag, op de tafel, onder Havelaars hand …🔗
Havelaar antwoordde:🔗
"Resident, ik ben adsistent-resident van Lebak, ik heb beloofd de
bevolking te beschermen tegen afpersing en geweldenary, ik klaag den
Regent aan, en zyn schoonzoon van Parang-Koedjang, ik zal de
gegrondheid myner aanklacht bewyzen zoodra me daartoe de gelegenheid
wordt gegeven die ik voorstelde in myn brieven, ik ben schuldig aan
laster, als myn aanklacht valsch is!"🔗
Hoe ruim Verbrugge ademde!🔗
En hoe vreemd de resident Havelaars woorden vond!🔗
Het onderhoud duurde lang. Met beleefdheid—want beleefd en welopgevoed
wàs de heer Slymering—trachtte hy Havelaar te bewegen van zoo verkeerde
grondbeginselen aftezien. Maar met even groote beleefdheid bleef deze
onverzettelyk. Het slot was dat de resident moest toegeven, en als
bedreiging zei, wat voor Havelaar een zegepraal was: dat hy zich dan
genoodzaakt vond de bedoelde brieven te brengen onder de aandacht van de
Regeering.🔗
De zitting werd opgeheven. De resident bezocht den Adhipatti—we zagen
reeds wat hy daar te verrichten had!—en gebruikte daarna 't middagmaal
aan den schralen disch der Havelaars. Terstond daarop keerde hy terug
naar Serang, met grooten spoed: Omdat. Hy. Het. Zoo. By-zonder.
Druk. Had.🔗
Den volgenden dag ontving Havelaar een brief van den resident van
Bantam, welks inhoud blykt uit het antwoord dat ik hier afschryf:🔗
"N° 93. Geheim. Rangkas-Betoeng, 28 Februari 1856.🔗
Ik heb de eer gehad te ontvangen uwe spoedmissive van 26 dezer LaO,
geheim, houdende hoofdzakelyk mededeeling:🔗
dat gy gronden hadt, niet te treden in de voorstellen, gedaan by
myne ambtsbrieven van 24 en 25 dezer, Nrs 88 en 91;🔗
dat gy vooraf vertrouwelyke mededeeling hadt gewenscht;🔗
dat gy niet goedkeurt myne verrichtingen in die beide brieven
omschreven;🔗
en ten-slotte van eenige bevelen.🔗
Ik heb thans de eer, gelyk trouwens reeds in de konferentie van
eergister mondeling geschiedde, nogmaals en ten-overvloede te
verzekeren:🔗
dat ik volkomen eerbiedig de wettigheid van uw gezag, waar het geldt
de keuze, al of niet te treden in myn voorstellen;🔗
dat de ontvangen bevelen met stiptheid en des-noods met
zelfverloochening, zullen worden nagekomen, als waart gy tegenwoordig,
by al wat ik doe en zeg, of juister: by al wat ik niet doe en niet
zeg.🔗
Ik weet dat gy op myn loyaliteit ten deze vertrouwt.[172]🔗
Doch ik neem de vryheid ten plechtigste te protesteeren tegen den
minsten zweem van afkeuring omtrent éénige handeling, éénig woord,
éénige zinsnede, door my in deze zaak verricht, gesproken of
geschreven.🔗
Ik heb de overtuiging myn plicht te hebben gedaan, in doel en in
wyze van uitvoering, geheel myn plicht, niets dan myn plicht zonder
de minste afwyking.🔗
Lang, had ik nagedacht voor ik handelde—dat is: voor ik onderzocht,
rapporteerde en voorstelde—en als ik in iets het minste zou
gefaald hebben … uit overyling faalde ik niet.🔗
In gelyke omstandigheden zou ik op-nieuw—iets sneller echter
—geheel, letterlyk geheel hetzelfde doen en nalaten.🔗
Al ware het zelfs dat een hooger macht dan de uwe iets afkeurde in
wat ik deed—behoudens misschien het eigenaardige van myn styl die
een deel uitmaakt van myzelf, een gebrek waarover ik zoomin
verantwoordelyk ben als een stamelaar voor het zyne—al ware het dat
… doch neen, dit kàn niet zyn, maar al ware het zoo: ik heb myn
plicht gedaan!🔗
Wel doet het my—zonder bevreemding evenwel—leed, dat gy hierover
anders oordeelt—en wat myn persoon aangaat, zou ik terstond berusten
in wat my een miskenning toeschynt—doch er is een principe in 't
spel, en ik heb gewetensredenen die eischen dat uitgemaakt worde
welke meening juist is, die van U of de myne.🔗
Anders dienen dan ik te Lebak diende, kan ik niet. Wenscht dus het
Gouvernement anders te worden gediend, dan moet ik als eerlyk man
eerbiedig verzoeken my te ontslaan. Dan moet ik op zes-en-dertigjarigen
leeftyd trachten op-nieuw een loopbaan aantevangen. Dan moet ik, na
zeventien jaren, na zeventien zware moeielyke dienstjaren, na myn
beste levenskrachten te hebben ten-offer gebracht aan wat ik voor plicht
hield, op-nieuw aan de Maatschappy vragen of ze my brood wil geven voor
vrouw en kind, brood in ruil voor myn denkbeelden, brood wellicht in
ruil voor arbeid met kruiwagen of spade, als de kracht van myn arm meer
waard wordt gekeurd dan de kracht myner ziel.🔗
Maar ik kan en wil niet gelooven dat uwe meening door zyne Excellentie
den Gouverneur-generaal gedeeld wordt, en ik ben dus verplicht, vóór ik
overga tot het bitter uiterste dat ik neerschreef in de vorige alinea,
u eerbiedig te verzoeken aan het Gouvernement voortestellen:🔗
den resident van Bantam aanteschryven, alsnog goedtekeuren de
handelingen van den adsistent-resident van Lebak, betrekking hebbende
op diens missieves van 24 en 25 dezer, Nis 88 en 91.🔗
Of wel:🔗
genoemden adsistent-resident te roepen ter verantwoording op de door
den resident van Bantam te formuleeren punten van afkeuring.🔗
Ik heb de eer u ten-slotte de dankbare verzekering te geven, dat
wanneer iets me kon terugbrengen van myn lang doordachte, en
bedaard maar vurig aangekleefde principes ten dezen … waarlyk, het
zou geweest zyn de heusche innemende wyze waarop gy in de konferentie
van eergister die principes hebt bestreden.🔗
De Adsistent-resident van Lebak,🔗
* * * * *🔗
Zonder uitspraak te doen omtrent de gegrondheid van het vermoeden der
Weduwe Slotering, betreffende de oorzaak die haar kinderen tot weezen
maakte, en alleen aannemende wat bewysbaar is, dat er in Lebak nauw
verband was tusschen plichtsbetrachting en gif—al bestond dan ook dit
verband slechts in meening[173]—zal toch ieder inzien dat Max en Tine
kommervolle dagen hadden doortebrengen na 't bezoek van den resident. Ik
geloof niet noodig te hebben den angst te schetsen van een moeder die by
't reiken van spys aan haar kind, zich gedurig de vraag moet voorleggen
of ze misschien haar lieveling vermoordt? En wèl was het een "afgebeden
kind" de kleine Max, die zeven jaar was uitgebleven na 't huwelyk, als
wist de schalk dat het geen voordeel was ter-wereld te komen als zoon
van zulke ouders!🔗
Negen-en-twintig lange dagen had Havelaar te wachten voor de
Gouverneur-generaal hem meedeelde … doch we zyn nog zoover niet.🔗
Kort na de vergeefsche pogingen om Havelaar te bewegen tot de intrekking
zyner brieven, of tot het verraden van de arme lieden die op zyn
grootmoedigheid vertrouwd hadden, trad eens Verbrugge by hem binnen. De
brave man was doodsbleek, en had moeite te spreken.🔗
—Ik ben by den Regent geweest, zeide hy … dàt is infaam … maar
verraad me niet.🔗
—Wat? Wàt moet ik niet verraden?🔗
—Geeft ge my uw woord geen gebruik te maken van wat ik u zeggen zal?🔗
—Weer halfheid, zei Havelaar. Doch … goed! Ik geef myn woord.🔗
En toen verhaalde Verbrugge, wat den lezer reeds bekend is, dat de
resident aan den Adhipatti had gevraagd of hy iets wist intebrengen
tegen den adsistent-resident, en hem tevens geheel onverwachts geld had
aangeboden en gegeven. Verbrugge wist het van den regent zelf, die hem
vroeg welke redenen den resident hiertoe konden geleid hebben? Havelaar
was verontwaardigd, maar … hy had zyn woord gegeven.🔗
Den volgenden dag kwam Verbrugge terug, en zei dat Duclari hem onder
't oog had gebracht hoe onedel het was, Havelaar, die met zulke
tegenstanders te stryden had, zoo geheel alleen te laten, waarop
Verbrugge dezen kwam ontheffen van zyn gegeven woord.🔗
—Goed! riep Havelaar, schryf het op!🔗
Verbrugge schreef het op. Ook die verklaring ligt voor my.[174]🔗
De lezer heeft immers reeds lang ingezien waarom ik zoo gemakkelyk
afstand kon doen van alle aanspraken op juridieke echtheid der
geschiedenis van Saïdjah?🔗
Het was zeer treffend optemerken hoe de beschroomde Verbrugge—vóór de
verwyten van Duclari—op Havelaars woord durfde bouwen in een zaak die
zoo noopte tot woordbreuk!🔗
En nog iets. Er zyn sedert de gebeurtenissen die ik verhaal, jaren
verloopen. Havelaar heeft in dien tyd veel geleden, hy heeft zyn gezin
zien lyden—de geschriften die voor my liggen, getuigen daarvan!—en 't
schynt dat hy gewacht heeft … ik geef de volgende aanteekening van
zyn hand:🔗
"Ik heb in de nieuwsbladen gelezen dat de heer Slymering benoemd is
tot ridder van den Nederlandschen Leeuw. Hy schynt thans resident van
Djokjakarta te wezen. Ik zou dus nu op de Lebaksche zaken kunnen
terugkomen zonder gevaar voor Verbrugge."🔗