De resident van Bantam stelde den Regent en den kontroleur aan den
nieuwen adsistent-resident voor. Havelaar begroette beide beambten
hoffelyk. Den kontroleur—er is altyd iets pynlyks in de ontmoeting van
een nieuwen chef—zette hy door eenige vriendelyke woorden op zyn gemak,
als wilde hy terstond reeds een soort van gemeenzaamheid invoeren, die
't verkeer zou gemakkelyk maken. Met den Regent was zyn ontmoeting
zooals dit behoorde met een persoon die den gouden pajong voert[34]
maar die te-gelykertyd zyn "jonger broeder" wezen zou. Met deftige
minzaamheid berispte hy hem over zyn te vurigen dienstyver, die in zùlk
een weder hem tot aan de grenzen zyner afdeeling gevoerd had, 'tgeen dan
ook de Regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had
behoeven te doen.🔗
—Waarlyk, mynheer de Adhipatti, ik ben boos op u dat ge u zooveel
moeite gegeven hebt om-mynentwil! Ik dacht u eerst te Rangkas-Betoeng
aantetreffen.🔗
—Ik wenschte den heer adsistent-resident zoo spoedig mogelyk te zien om
vriendschap te sluiten, zei de Adhipatti.🔗
—Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand
van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te-paard nogal!🔗
—Ja, mynheer de adsistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog
altyd vlug en sterk.🔗
—Dit is te veel van uzelf gevergd! Niet waar, resident?🔗
—De heer Adhipatti. Is. Zeer.🔗
—Goed, maar er is een grens.🔗
—Yverig, sleepte de resident achterna.🔗
—Goed, maar er is een grens, moest Havelaar nogeens zeggen, als om 't
vorige terugteslikken. Als u 't goed vindt, resident, zullen we plaats
in den wagen maken. De baboe kan hier blyven, we zullen haar een
tandoe[35] zenden van Rangkas-Betoeng. Myn vrouw neemt Max op den
schoot … niet waar, Tine? En dan is er plaats genoeg.🔗
—Het. Is. My.🔗
—Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in …🔗
—Wèl! zei de resident.🔗
—Ik zie niet in waarom ge zonder noodzaak te-paard door den modder
zoudt klepperen … er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan
met-een terstond kennis maken. Niet waar, Tine, we zullen ons wel
schikken? Hier, Max … kyk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig
kereltje? Dat is myn kleine jongen … dat is Max!🔗
De resident had met den Adhipatti in de pendoppo plaats genomen.
Havelaar riep Verbrugge om hem te vragen wien die schimmel behoorde met
roode schabrak? En toen Verbrugge naar den ingang van de pendoppo
trad, om te zien welk paard hy bedoelde, legde hy dezen de hand op den
schouder, en vroeg:🔗
—Is de Regent altyd zoo dienstyverig?🔗
—'t Is een kras man voor zyn jaren, m'nheer Havelaar, en u begrypt dat
hy gaarne een goeden indruk op u maken zou.🔗
—Ja, dat begryp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord … hy is
beschaafd, niet waar?🔗
—O ja … En hy heeft een groote familie?🔗
Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hy dezen overgang niet. Dit was
dan ook, voor wie hem niet kende, dikwyls moeielyk. De vlugheid van zyn
geest deed hem in gesprekken meermalen eenige schakels der redeneering
overslaan, en hoe geleidelyk ook deze overgang plaats vond in zyn
gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet gewoon aan
zyn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men by zulk een gelegenheid
hem aanstaarde met de onuitgesproken vraag op de lippen: ben je gek …
of hoe is het?🔗
Zoo-iets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest
de vraag herhalen, vóór hy antwoordde:🔗
—Ja, hy heeft een zeer uitgebreide familie.🔗
—En zyn er Medjiets in aanbouw in de afdeeling? ging Havelaar voort,
alweer op een toon die, geheel in tegenspraak met de woorden zelf,
scheen aanteduiden dat er verband bestond tusschen die moskeën en de
"groote familie" van den Regent.🔗
Verbrugge antwoordde dat er werkelyk veel aan moskeën gearbeid werd.🔗
—Ja, ja, dat wist ik wel! riep Havelaar. En zeg me nu eens, of er veel
achterstand is in de betaling van de landrenten?🔗
—Ja, dat kon wel beter zyn …🔗
—Juist, en vooral in het distrikt Parang-Koedjang, zei Havelaar, als
vond hy 't makkelyker zelf te antwoorden. Hoe hoog is de aanslag van dit
jaar? ging hy voort, en bemerkende dat Verbrugge eenigszins weifelde,
als om zich op 't antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, die in
één adem aldus vervolgde:🔗
—Goed, goed, ik weet het al … zes-en-tachtig duizend en eenige
honderden … vyftien duizend meer dan in 't vorige jaar … doch maar
zesduizend boven '45. We zyn sedert '43 maar achtduizend vooruit
gegaan … en ook de bevolking is zeer schraal … nu ja, Malthus! In
twaalf jaar zyn we maar elf procent gestegen, en dit is nog de vraag,
want de tellingen waren vroeger zeer onnauwkeurig … en nog! Van '50 op
'51 is er zelfs een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit …
dat is een slecht teeken, Verbrugge![36] Wat drommel, zie dat paard eens
springen, ik geloof dat het koldert … kom eens kyken, Max!🔗
Verbrugge bemerkte dat hy den nieuwen adsistent-resident weinig zou te
leeren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door "lokale
ancienneteit" wat de goede jongen dan ook niet begeerd had.🔗
—Maar 't is natuurlyk, ging Havelaar voort, terwyl hy Max op den arm
nam. In het Tjikandische en Bolangsche zyn ze er heel bly om … en
de opstandelingen in de Lampongs ook.[37] Ik beveel me zeer aan voor
uw medewerking, m'nheer Verbrugge! De Regent is een man van jaren, en
dus moeten we … zeg eens, is zyn schoonzoon nog altyd distriktshoofd?
Alles saamgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelykheid
verdient … de Regent, meen ik. Ik ben zeer bly dat hier alles zoo
achterlyk en armoedig is, en … hoop hier lang te blyven.🔗
Hierop reikte hy aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terugkeerende
naar de tafel waar de resident, de Adhipatti en mevrouw Havelaar
gezeten waren, voelde reeds iets beter dan vyf minuten vroeger, dat "die
Havelaar zoo gek niet was" als de kommandant meende. Verbrugge was
volstrekt niet misdeeld van verstand, en hy die de afdeeling Lebak
kende, nagenoeg zoo goed als een zoo groote landstreek, waar niets
gedrukt wordt, door één persoon gekend worden kàn, begon intezien dat er
toch verband was tusschen de schynbaar niet samenhangende vragen van
Havelaar, en tevens dat de nieuwe adsistent-resident, hoezeer hy nooit
de afdeeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hy
nog altyd die vreugde niet over de armoede in Lebak, maar hy drong
zich op, die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel,
toen Havelaar hem meermalen hetzelfde zeide, zag hy in hoeveel groots en
edels er was in die vreugde.🔗
Havelaar en Verbrugge namen plaats by de tafel, en onder 't gebruiken
van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso den
resident kwam berichten dat de versche paarden waren voorgespannen. Men
pakte zich zoo goed mogelyk in den wagen, en reed heen. Door 't hotsen
en stooten viel 't spreken moeielyk. Kleine Max werd rustig gehouden met
pisang[38] en zyn moeder die hem op den schoot had, wilde volstrekt
niet bekennen dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van den
zwaren jongen te ontlasten. In een oogenblik van gedwongen rust in een
moddergat, vroeg Verbrugge den resident, of hy met den nieuwen
adsistent-resident reeds gesproken had over mevrouw Slotering?🔗
—M'nheer. Havelaar. Heeft. Gezegd.🔗
—Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan by ons blyven. Ik zou
niet gaarne …🔗
—Dat. Het. Goed. Was. sleepte de resident er met veel moeite by.🔗
—Ik zou niet gaarne myn huis ontzeggen aan een dame in háár
omstandigheden! Zoo-iets spreekt vanzelf … niet waar, Tine?🔗
Ook Tine meende dat het vanzelf sprak.🔗
—U heeft twee huizen te Rangkas-Betoeng, zei Verbrugge. Er is ruimte
in overvloed voor twee familien.🔗
—Maar, al was dit zoo niet.🔗
—Ik. Durfde. Het. Haar.🔗
—Wel, resident, riep mevrouw Havelaar, er is geen twyfel aan!🔗
—Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.🔗
—Al waren ze met hun tienen, als ze 't maar voor lief nemen by ons.🔗
—Een. Groote. Last. En. Zy. Is.🔗
—Maar het reizen in haar pozitie is onmogelyk, resident!🔗
Een hevige schok van den wagen die ontmodderd werd, zette een
uitroepingsteeken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelyk was
voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelyke hè! geroepen, dat
op zulk een stoot volgt, Max had in den schoot zyner moeder de pisang
weergevonden, die hy door den schok verloor, en reeds was men een heel
eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident
besluiten kon zyn zinsnede te voleinden, door er bytevoegen:🔗
—Een. Inlandsche. Vrouw.🔗
—O, dit is volkomen hetzelfde, trachtte mevrouw Havelaar verstaanbaar
te maken. De resident knikte, als vond hy het goed dat die zaak dus
geregeld was, en daar het spreken zoo moeielyk viel, brak men 't
gesprek af.🔗
Die Mevrouw Slotering was de weduw van Havelaars voorganger die twee
maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorloopig belast met
het ambt van adsistent-resident, zou 't recht gehad hebben, gedurende
dien tyd de ruime woning te betrekken, die te Rangkas-Betoeng, zooals
in elke afdeeling, van-landswege voor 't hoofd van het gewestelyk
bestuur is opgericht. Hy had dit echter niet gedaan, gedeeltelyk
misschien uit vrees dat hy te spoedig op-nieuw zou moeten verhuizen,
gedeeltelyk om 't gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen
overtelaten. Er ware anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vry
groote adsistent-residentswoning zelf, stond daarneven op 'tzelfde "erf"
nog een ander huis dat vroeger daartoe gediend had, en in-weerwil van
den eenigszins bouwvalligen staat, nog altyd zeer geschikt was ter
bewoning.🔗
Mevrouw Slotering had den resident verzocht haar voorspraak te zyn by
den opvolger van haar echtgenoot, om de vergunning dat oude huis te
bewonen tot na haar verlossing, die zy over eenige maanden te-gemoet
zag. Het was dit verzoek dat door Havelaar en zyn vrouw zoo gereedelyk
was toegestaan, iets dat geheel in hun aard lag, want gastvry en
hulpvaardig waren zy in de hoogste mate.🔗
We hoorden den resident zeggen dat mevrouw Slotering een "inlandsche
vrouw" was. Dit vereischt voor niet-indische lezers eenige opheldering,
daar men al licht tot de onjuiste meening geraken zou hier met een
eigenlyk-javaansche te doen te hebben.🔗
De europesche maatschappy in Nederlandsch Indiën is vry scherp in twee
deelen gesplitst: de eigenlyke Europeanen, en dezulken die—hoezeer
wettelyk in geheel denzelfden rechtstoestand verkeerende—niet in
Europa geboren zyn, en min of meer inlandsch bloed in de aderen hebben.
Ter-eere der begrippen van menschelykheid in Indie, haast ik me hier
bytevoegen dat, hoe scherp ook de lyn zy, die in 't maatschappelyk
verkeer wordt getrokken tusschen de twee soorten van individuën, welke
tegenover den inlander gelykelyk den naam van Hollander[39] dragen,
deze afscheiding evenwel geenszins 't barbaarsch karakter vertoont, dat
in Amerika by de standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er
nog altyd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blyft
bestaan, en dat het woord liplap my meermalen in de ooren klonk als
een bewys hoe ver de niet-liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving
verwyderd is. Het is waar dat de liplap niet dan by-uitzondering in
gezelschappen wordt toegelaten, en dat hy gewoonlyk, als ik me hier van
een zeer gemeenzame uitdrukking bedienen mag: "niet voor vol wordt
aangezien" maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting
hooren voorstellen en verdedigen als een grondbeginsel. Het staat
natuurlyk ieder vry, zyn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men
mag het den eigenlyken Europeaan niet euvel duiden, wanneer hy den
omgang met lieden van zyn landaard voortrekt boven 't verkeer met
personen die—hun meer of minder zedelyke en verstandelyke waarde in
't midden gelaten—zyn indrukken en denkbeelden niet deelen, of—en dit
is misschien by vermeend verschil van beschaving, zeer dikwyls de
hoofdzaak—wier vooroordeelen een andere richting hebben genomen dan
de zyne.[40]🔗
Een liplap—om den term te bezigen die voor beleefder wordt gehouden,
zou ik moeten zeggen een "dusgenaamd inlandsch kind" maar ik vraag
vergunning my te houden aan 't spraakgebruik dat uit allitteratie
geboren schynt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beleedigends
bedoel, en wat beteekent het woord dan ook?—een liplap heeft veel
goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds,
en ook hierin alzoo gelyken zy op elkaar. Maar 't goede en 't verkeerde
dat aan beiden eigen is loopt te veel uit elkander, dan dat hun
verkeering over 't algemeen tot wederzydsch genoegen kan strekken.
Bovendien—en hieraan heeft de Regeering veel schuld—is de liplap
dikwyls slecht onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europeaan wezen
zou, als hy zoo van der jeugd af ware belemmerd geworden in zyn
ontwikkeling, maar zeker is het dat de geringe wetenschappelyke
ontwikkeling van den liplap in 't algemeen zyn gelykstelling met den
Europeaan in den weg staat, ook dáár waar hy als individu in
beschaving, wetenschap of kunst, misschien den voorrang boven een
bepaalden europeschen persoon verdienen zou.🔗
Ook hieraan is weder niets nieuws. Het lag ook, byv. in de staatkunde
van Willem den Veroveraar, om den minstbeduidenden Normandier te
verheffen boven den beschaafdsten Sakser, en elke Normandier beriep zich
gaarne op 't overwicht der Normandiers in het algemeen, om zyn persoon
ook dáár te doen gelden, waar hy de minste zou geweest zyn zonder den
invloed zyner stamgenooten als bovenliggende party.🔗
Uit zoo-iets wordt natuurlyk in 't verkeer zekere gedwongenheid geboren.
die niet zou weg te nemen zyn dan door wysgeerige onbekrompen inzichten
en maatregelen van het bestuur.[41]🔗
Dat de Europeaan, die in zulke verhouding aan den winnenden kant is,
zich in dit kunstmatig overwicht zeer gemakkelyk schikt, spreekt
vanzelf. Maar dikwyls is 't koddig, iemand die zyn beschaving en taal
grootendeels opdeed in de rotterdamsche Zandstraat, den liplap te
hooren uitlachen omdat deze een glas water en 't gouvernement,
mannelyk-, of zon en maan onzydig maakt.🔗
Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zyn, of geleerd—er zyn er
zoo!—zoodra de Europeaan, die zich ziek hield om achterteblyven van 't
schip waarop hy borden waschte, en die zyn aanspraken op beleefdheid
bazeert op "uwee" en "verexkuseer" aan het hoofd staat van de
handelsonderneming die zoo "enorm" gewonnen heeft op de indigo in 1800
zooveel … neen, lang vóór hy de "toko" bezat, waarin hy hammen en
jachtgeweren verkoopt—wanneer zoo'n Europeaan opmerkt dat de
beschaafdste liplap moeite heeft de h en de g, uit elkaar te houden,
lacht hy over de domheid van den man die niet weet dat er onderscheid is
tusschen een gouden hek en een houten gek.🔗
Maar om hierover niet te lachen, had hy moeten weten dat in het arabisch
en maleisch de cha en de hha door één karakter worden uitgedrukt,
dat Hieronymus viâ Geronimo in Jérôme overgaat, dat we van
huano, guano maken, dat een want een handschoen is, dat kous
van hose afstamt, en dat we voor Guild Heaume in 't hollandsch
Huillem of Willem zeggen. Zooveel eruditie is te veel gevergd van
iemand die zyn fortuin maakte "in" de indigo, en z'n beschaving haalde
uit het welgelukken van dobbelary … of erger!🔗
En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap!🔗
Ik begryp hoe Willem van Guillaume komt, en moet erkennen dat ik,
vooral in de Molukken, zeer dikwyls "liplappen" heb leeren kennen, die
me deden verbaasd staan over den omvang hunner kennis, en die my op 't
denkbeeld brachten dat wy Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook
ten-dienste stonden, dikwyls—en niet vergelykender-wyze alleen—verre
ten-achteren staan by de arme pariah's die van de wieg af hadden te
stryden met kunstmatig-onbillyke terugzetting en 't zot vooroordeel
tegen hun kleur.🔗
Maar mevrouw Slotering was eens-voor-al gevrywaard voor fouten in 't
hollandsch, omdat ze nooit anders dan maleisch sprak. We zullen haar
later te zien krygen, als we met Havelaar, Tine en kleinen Max
thee-drinken in de voorgalery der adsistent-residents-woning te
Rangkas-Betoeng, waar ons reisgezelschap, na lang hotsen en stooten,
eindelyk behouden aankwam.🔗
De resident, die slechts was meegekomen om den nieuwen adsistent-resident
in zyn ambt te bevestigen, gaf den wensch te kennen nog dienzelfden dag
naar Serang terugtekeeren:🔗
—Omdat. Hy.🔗
Havelaar betuigde insgelyks bereid te zyn tot allen spoed …🔗
—Het. Zoo. Druk. Had.🔗
…en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de
groote voorgalery der woning van den Regent zou by-eenkomen. Verbrugge,
hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de Distriktshoofden,
den Patteh, den Kliwon, den Djaksa[42] den belasting-kollekteur,
eenige mantries, en voorts aan alle inlandsche beambten die deze
plechtigheid moesten bywonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te
verzamelen.🔗
De Adhipatti nam afscheid, en reed naar zyn huis. Mevrouw Havelaar
bezag haar nieuwe woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de
tuin groot was, 'tgeen haar zoo goed voorkwam voor kleinen Max die veel
in de lucht moest. De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan
om zich te verkleeden, want by de plechtigheid die er plaats hebben zou,
scheen het officieel voorgescheven kostuum een vereischte te wezen.
Rondom het huis stonden honderden menschen, die of te-paard den wagen
van den resident hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen
Hoofden behoorden. De policie- en bureau-oppassers liepen bedryvig
heen-en-weer. Kortom, alles toonde aan dat de eentonigheid op dat
vergeten plekje gronds in den javaschen Westhoek, voor een oogenblik
werd afgebroken door wat leven.🔗
Weldra reed de fraaie wagen van den Adhipatti 't voorplein op. De
resident en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat
struikelend over hun degens, stapten er in, en begaven zich naar de
woning van den Regent, waar ze met muziek van gongs en gamlangs
ontvangen werden.[43] Ook Verbrugge, die zich van zyn bemodderd kostuum
had ontdaan, was reeds daar aangekomen. De mindere Hoofden zaten in een
grooten kring, naar oostersche wyze op matten op den grond, en aan 't
eind van de lange galery stond een tafel, waaraan de resident, de
Adhipatti, de adsistent-resident, de kontroleur en een zestal Hoofden
plaats namen. Men diende thee met gebak rond, en de eenvoudige
plechtigheid begon.🔗
De resident stond op, en las het besluit van den Gouverneur-generaal voor,
waarby Max Havelaar was aangesteld tot adsistent-resident van de afdeeling
Bantan-Kidoel of Zuid-Bantam, zooals Lebak door de inlanders genoemd
wordt. Hy nam daarna 't staatsblad waarin de eed stond die tot de
aanvaarding van bedieningen in 't algemeen voorgeschreven is, en houdende:
"dat men om tot het ambt van ***** te worden benoemd of bevorderd, niemand
iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal; dat men gehouw en
getrouw zal zijn aan zijne Majesteit den Koning der Nederlanden; gehoorzaam
aan zijner Majesteits vertegenwoordiger in de Indische gewesten; dat men
stiptelijk zal opvolgen en doen opvolgen de wetten en bepalingen, die
gegeven zijn of gegeven zullen worden, en dat men zich in alles zal
gedragen gelijk een goed … (hier: adsistent-resident) betaamt."🔗
Hierop volgde natuurlyk het sakramenteele: "zoo waarlijk helpe mij God
Almachtig."🔗
Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in dezen eed begrepen, had
eigenlyk moeten worden beschouwd de belofte: de inlandsche bevolking,
te zullen beschermen tegen uitzuiging, en onderdrukking. Want, zwerende
dat men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men
slechts het oog te slaan op de talryke voorschriften dienaangaande, om
intezien dat eigenlyk een byzondere eed hieromtrent niet te-pas kwam.
Maar de wetgever schynt gemeend te hebben dat overvloed van goed niet
schaden kan, althans men vordert van de adsistent-residenten een
afzonderlyken eed, waarby die verplichting omtrent den geringen man
nogeens uitdrukkelyk vermeld wordt. Havelaar moest dus andermaal "God
Almachtig" tot getuige nemen by de belofte: dat hy de "inlandsche
bevolking, beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en
knevelarij."🔗
Voor een fynen opmerker zou 't de moeite waard zyn geweest, het
onderscheid gadeteslaan tusschen houding en toon van den resident en van
Havelaar by deze gelegenheid. Beiden hadden zy dusdanige plechtigheid
meermalen bygewoond. Het onderscheid dat ik bedoel, lag dus niet in 't
meer of min getroffen zyn door het nieuwe en ongewone, doch werd alleen
veroorzaakt door 't uiteenloopende der karakters en begrippen van deze
beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlyk, daar
hy 't besluit en de eeden slechts behoefde vóórtelezen, 'tgeen hem de
moeite bespaarde naar zyn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde
van zyn kant alles, met een deftigheid en een ernst, die den
oppervlakkigen beschouwer een zeer hoog denkbeeld moesten inboezemen van
't gewicht dat hy aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hy met
opgeheven vinger de eeden nasprak, had iets in gelaat, stem en houding,
alsof hy zeggen wilde: "dat spreekt vanzelf, ook zonder God Almachtig,
zou ik dat doen" en wie menschkunde bezat, zou meer vertrouwd hebben op
zyn ongedwongenheid en schynbare onverschilligheid, dan op de ambtelyke
deftigheid van den resident.🔗
Is 't niet inderdaad bespottelyk, te meenen dat de man die geroepen is
recht te spreken, de man aan wien het wel of wee van duizenden is in
handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgesproken
klanken, wanneer hy niet, ook zonder die klanken, zich daartoe gedrongen
voelt door zyn eigen hart?🔗
Wy gelooven van Havelaar, dat hy de armen en onderdrukten, waar hy die
mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hy by "God Almachtig" het
tegendeel beloofd.🔗
Daarop volgde een toespraak van den resident tot de Hoofden, waarop hy
hun den adsistent-resident als opperhoofd der Afdeeling voorstelde, hen
uitnoodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt natekomen, en
dergelyke gemeenplaatsen meer. De hoofden werden daarop één-voor-één by
name aan Havelaar voorgesteld. Hy reikte ieder de hand, en de
"installatie" was afgeloopen.🔗
Men gebruikte ten-huize van den Adhipatti 't middagmaal, waartoe ook
de kommandant Duclari genoodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte
de resident die gaarne nog dien avend te Serang wilde terug zyn:🔗
—Omdat. Hy. Het. Zoo. Byzonder. Druk. Had.🔗
…weder in zyn reiswagen, en zoo keerde Rangkas-Betoeng weldra terug
tot een stilte, als te verwachten is van een javasche binnenpost die
door slechts weinig Europeanen bewoond werd en daarenboven niet aan den
grooten weg gelegen was.🔗
De kennismaking tusschen Duclari en Havelaar was spoedig op een
gemakkelyken voet gebracht. De Adhipatti gaf blyken van ingenomenheid
met zyn nieuwen "ouder broeder" en Verbrugge verhaalde later dat ook de
resident, dien hy op zyn terugreis naar Serang een eind wegs-uitgeleide
had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Havelaar, die op haar
doortocht naar Lebak eenige dagen ten-zynen-huize vertoefde, had
uitgelaten. Ook zeide hy dat Havelaar, by de Regeering goed aangeteekend
staande, hoogstwaarschynIyk spoedig tot een hooger ambt bevorderd, of
althans naar een meer "voordeelige" afdeeling verplaatst worden zou.🔗
Max en "zyn Tine" waren eerst onlangs van een reis naar Europa
teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer
eigenaardig een koffertjes-leven heb hooren noemen. Zy achtten zich dus
gelukkig, na veel omzwervens eindelyk weder eens een plek te bewonen
waar zy zouden te-huis behooren. Vóór hun reis naar Europa, was Havelaar
adsistent-resident van Amboina geweest, waar hy met veel moeielykheden
had te stryden gehad, omdat de bevolking van dat eiland in een gistenden
en oproerigen toestand verkeerde ten-gevolge van de vele verkeerde
maatregelen die in den laatsten tyd genomen waren.🔗
Niet zonder veerkracht had hy dezen geest van verzet weten te
onderdrukken, doch uit verdriet over de weinige hulp die men hem hierin
van-hoogerhand verleende, en uit ergernis over 't ellendig bestuur dat
sedert eeuwen de heerlyke streken der Molukken ontvolkt en bederft …🔗
De belangstellende lezer trachte te lezen te krygen wat over dit
onderwerp reeds in 1825 door den baron Van der Capellen geschreven werd,
en kan de Publikatien van dezen menschenvriend vinden in het Indische
Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert dien tyd niet beter
op geworden!🔗
Hoe dit zy, Havelaar deed te Amboina wat hy mocht en kon, maar uit
ergernis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats
geroepen waren zyn pogingen te steunen, was hy ziek geworden, en dit had
hem bewogen naar Europa te vertrekken.[44] Strikt genomen had hy by
wederplaatsing aanspraak gehad op beter keuze dan de arme geenszins
welvarende afdeeling Lebak, daar zyn werkkring te Amboina van grooter
gewicht was, en hy dáár, zonder resident boven zich, geheel op zichzelf
gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hy naar Amboina vertrok,
spraak van geweest hem tot resident te verheffen, en het bevreemdde dus
sommigen dat hem thans het bestuur eener Afdeeling werd opgedragen, die
aan kultuur-emolumenten zoo weinig opbracht, dewyl velen het belang
eener bediening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hyzelf
echter beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zyn eerzucht was
geenszins van dien aard, dat hy bedelen zou om hoogeren rang of meer
gewin.[45]🔗
En dit laatste ware hem toch goed te-stade gekomen! Want op zyn reizen
in Europa had hy het weinige uitgegeven, dat hy in vorige jaren had
overgegaard. Zelfs had hy daar schulden achtergelaten, en hy was dus, in
één woord, arm. Doch nooit had hy zyn ambt beschouwd als een geldwinning,
en by zyn benoeming naar Lebak nam hy zich met tevredenheid voor, het
achterstallige door zuinigheid intehalen, in welk voornemen zyn vrouw
die zoo eenvoudig was in smaak en behoeften, hem met groot genoegen
ondersteunen zou.🔗
Maar zuinigheid viel Havelaar moeielyk. Hy voor zichzelf kon zich tot
het strikt-noodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hy
binnen de grens daarvan blyven, doch waar anderen hulp behoefden, was
hem 't helpen, het geven, een ware hartstocht. Hyzelf zag dit zwak in,
beredeneerde met al 't gezond verstand dat hem gegeven was, hoe
onrecht hy deed, iemand te ondersteunen, waar hyzelf meer aanspraak
zou gehad hebben op zyn eigen hulp … gevoelde dit onrecht nog
levendiger, wanneer ook "zyn Tine" en Max, die hy beiden zoo lief had,
te lyden hadden onder de gevolgen zyner vrygevigheid … hy verweet zich
zyn goedhartigheid als zwakte, als ydelheid, als zucht om voor een
verkleeden prins doortegaan … hy beloofde zich beterschap, en toch …
telkens als deze of gene zich aan hem wist voortedoen als 't slachtoffer
van tegenspoed, vergat hy alles om te helpen. En dit in-weerwil der
bittere ondervinding van de gevolgen dezer door overdryving tot fout
geworden deugd. Acht dagen vóór de geboorte van zyn kleinen Max, bezat
hy 't noodige niet om 't yzeren wiegje te koopen waarin zyn lieveling
rusten zou, en weinig tyds te-voren nog had hy de weinige versierselen
zyner vrouw opgeofferd, om iemand bytestaan, die gewis in beter
omstandigheden verkeerde dan hyzelf.🔗
Maar dit alles lag al weer ver achter hen toen zy waren aangekomen te
Lebak! Met vroolyke kalmte hadden zy bezit genomen van het huis: "waar
ze nu toch eenigen tyd hoopten te blyven." Met een eigenaardig genot
hadden zy te Batavia de meubelen besteld, die alles zoo comfortable en
gezellig maken zouden. Zy toonden elkaar de plekken waar ze zouden
ontbyten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan,
waar hy 's avends haar zou voorlezen wat hy dien dag geschreven had,
want hy was altyd bezig met het ontwikkelen zyner denkbeelden op 't
papier … en: "eens zou dat gedrukt worden, meende Tine, en dan zou men
zien wie haar Max was!" Maar nooit had hy iets ter-perse laten leggen
van wat er in zyn hoofd omging, omdat zekere schroom hem bezielde, die
wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hyzelf althans wist dezen schroom
niet beter te beschryven, dan door aan wie hem aanspoorden tot
publiciteit, te vragen: "zoudt gy uw dochter op-straat laten loopen
zonder hemd?"🔗
Dit was dan weer een van de vele boutades, die zyn omgeving deden
zeggen dat "die Havelaar toch een zonderling mensch was, en ik beweer
het tegendeel niet. Maar als men de moeite nam zyn ongewone wyze van
spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van
een meisje, wellicht den tekst gevonden hebben voor een verhandeling
over de kuisheid van den geest, die schuw is voor de blikken van den
lompen voorbyganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelyke
schroomvalligheid.[46]🔗
Ja, ze zouden gelukkig zyn te Rangkas-Betoeng, Havelaar en zyn Tine!
De eenige zorg die hen drukte, waren de schulden die zy in Europa hadden
achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kosten der terugreis naar
Indie, en met de uitgaven voor 't meubelen hunner woning. Maar nood was
er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde zyner
inkomsten? Misschien ook, ja waarschynlyk, zou hy spoedig resident
worden, en dan werd alles makkelyk geregeld in weinig tyds …🔗
—Hoewel 't my erg spyten zou, Tine, Lebak te verlaten, want er is
hier veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wy
misschien alles afdoen, ook zonder bevordering … en dan hoop ik lang
hier te blyven, heel lang!🔗
Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefte hy tot háár niet te richten.
Zy had er waarlyk geen schuld aan, dat spaarzaamheid noodig was
geworden, doch ze had zich zoo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die
aansporing geenszins opvatte als een verwyt, wat het dan ook niet was.
Want Havelaar wist zeer goed dat hy alleen gefaald had door zyn te ver
gedreven vrygevigheid, en dat haar fout—àls er dan een fout bestond
aan hare zyde—alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor Max
altyd alles had goedgekeurd wat hy deed.🔗
Ja, zy had het goed gevonden, toen hy die beide arme vrouwen uit de
Nieuwstraat, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren
"uitgeweest" rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder 't koddig
voorwendsel dat de Koning hem belast had met: "het amuzeeren van oude
vrouwtjes die zich zoo goed gedragen hadden". Zy vond het goed dat hy
de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk
onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. Zy begreep volkomen dat hy
de logementsrekening van de familie arme zangers betaalde, die terug
wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de
harp behoorde, en de viool, en de bas, die zy zoo noodig hadden voor hun
schamel bedryf. Zy kon het niet afkeuren dat hy 't meisje tot haar
bracht, dat 'savends op de straat hem had aangesproken … dat hy haar
te eten gaf en herbergde, en 't àl te goedkoop "ga heen, en zondig niet
meer!" niet uitsprak, voor hy haar dat "niet zondigen" had mogelyk
gemaakt. Zy vond het zeer schoon in haar Max, dat hy 't klavier liet
terugbrengen in de voorkamer van den huisvader, dien hy had hooren
zeggen hoe leed het hem deed dat de meisjes verstoken waren van muziek
"na dat bankroet." Zy begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie
vrykocht te Menado, die zoo bitter bedroefd was te moeten stygen op de
tafel des afslagers. Zy vond het natuurlyk dat Max paarden weergaf aan
de Alfoeren in de Minahassa, wier paarden waren doodgereden door de
officieren van de Bayonnaise. Zy had er niet tegen dat hy te Menado
en te Amboina de schipbreukelingen der amerikaansche whalers by zich
riep en verzorgde, en zich te grand seigneur achtte om een
herbergiersrekening voorteleggen aan 't amerikaansch Gouvernement. [47]
Zy begreep volkomen waarom de officieren van byna elk aangekomen
oorlogschip grootendeels by Max logeerden, en dat zyn huis hun geliefd
pied-à-terre was.🔗
Was hy niet háár Max? Was het niet te klein, te nietig, was 't niet
ongerymd, hem die zoo vorstelyk dacht, te willen binden aan de regels
van spaarzaamheid en huishoudelykheid die voor anderen gelden? En
bovendien, al mocht er dan soms voor 't oogenblik iets onevenredigs
wezen tusschen inkomsten en uitgaven, was Max, háár Max, niet bestemd
voor een schitterende loopbaan? Moest hy niet weldra in omstandigheden
verkeeren, die hem zouden in-staat stellen zonder overschryding zyner
inkomsten den vryen loop te laten aan zyn groothartige neigingen? Moest
háár Max niet Gouverneur-generaal worden van dat lieve Indie, of … een
koning? Wast 't niet vreemd zelfs, dat hy niet reeds koning wàs?🔗
Als er een fout by haar kon gevonden worden, dan was haar ingenomenheid
met Havelaar schuld daaraan, en zoo ooit, dan zou 't hier gelden: dat
men veel vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad!🔗
Doch men had haar niets te vergeven. Zonder nu te deelen in de
overdreven begrippen die zy van haren Max koesterde, mag men toch
aannemen dat hy een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond
uitzicht zich had verwezenlykt, zouden inderdaad de onaangename gevolgen
zyner vrygevigheid weldra uit den weg te ruimen geweest zyn. Maar nog
een reden van geheel anderen aard verontschuldigde hare en zyne
schynbare zorgeloosheid.🔗
Ze had zeer jong haar beide ouders verloren, en was by hare familie
opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mede dat zy een klein vermogen
bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ontdekte uit enkele
brieven van vroeger tyd, en uit eenige losse aanteekeningen die zy in
een van haar moeder afkomstige kassette bewaarde, dat haar familie zoo
van vaders- als van moeders-zyde zeer ryk was geweest, zonder dat hem
evenwel duidelyk worden kon, wáár, waardoor of wanneer die rykdom was
verloren gegaan. Zyzelf, die nooit belang gesteld had in zaken van
geldelyken aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar by
haar aandrong op eenige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van
haar verwanten. Haar grootvader, de baron Van W., was met Willem den
vyfden naar Engeland uitgeweken en ridmeester geweest by 't leger des
hertogs van York. Hy scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlyke
familie een vroolyk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd
opgegeven als oorzaak van den ondergang zyner fortuin. Later, by
Waterloo, sneuvelde hy in een charge onder de huzaren van Boreel.
Aandoenlyk was het, de brieven te lezen van haar vader—toen een
jongeling van achttien jaren, die als luitenant by dat korps in dezelfde
charge een sabelhouw op 't hoofd bekwam, aan welks gevolgen hy acht
jaren later krankzinnig sterven zou—brieven aan zyn moeder, waarin hy
zich beklaagde hoe hy vruchteloos op het slagveld naar 't lyk zyns
vaders had gezocht.[48]🔗
Wat haar afkomst van moederszyde aangaat, herinnerde zy zich dat haar
grootvader op zeer aanzienlyken voet geleefd had, en uit sommige
papieren bleek dat deze in het bezit was geweest van de posteryen in
Zwitserland, op de wyze zooals thans nog in een groot gedeelte van
Duitschland en Italie, die tak van inkomst de apanage uitmaakt der
vorsten van Turn en Taxis.[49] Dit deed een groot vermogen
veronderstellen, maar ook hiervan was door geheel onbekende oorzaken
niets, of zeer weinig althans, overgegaan op het tweede geslacht.🔗
Havelaar vernam 't weinige dat daarvan te vernemen was, eerst na zyn
huwelyk, en by zyn nasporingen wekte het zyn verwondering dat de
kassette waarvan ik zoo-even sprak—met den inhoud uit een gevoel van
pieteit bewaarde, zonder te gissen dat daarin misschien stukken waren,
die belang hadden uit een geldelyk oogpunt—op onbegrypelyke wyze was
verloren gegaan. Hoe onbaatzuchtig ook, hy bouwde op deze en vele andere
omstandigheden de meening dat hierachter een roman intime verscholen
lag, en men mag 't hem niet euvel duiden dat hy, die voor zyn duren
inborst veel behoefde, met vreugde dien roman een bly einde had zien
nemen. Hoe 't nu wezen moog met het bestaan van dien roman, en of er al
dan niet spoliatie had plaats gehad, zeker is 't dat er in Havelaars
verbeelding iets geboren werd, wat men een rêve aux millions zou
kunnen noemen.[50]🔗
Doch alweer was 't eigenaardig dat hy die zoo nauwkeurig en scherp het
recht van een ander—hoe diep ook begraven onder stoffige akten en
dikwebbige chicanes—zou hebben nagespoord en verdedigd, dat hy hier
waar zyn eigen belang in 't spel was, met slordigheid het oogenblik
verwaarloosde, waarin misschien de zaak had moeten worden aangevat. Hy
scheen iets als schaamte te gevoelen omdat het hier zyn eigen voordeel
gold, en ik geloof zeker wanneer "zyn Tine" gehuwd ware geweest met een
ander, met iemand die zich tot hem had gewend met het verzoek de spinrag
te verbreken waarin haar voorouderlyk fortuin was blyven hangen, dat hy
geslaagd zou zyn "de interessante wees" in 't bezit te stellen van het
vermogen dat haar behoorde. Maar nu was die interessante wees zyn
vrouw, háár vermogen was het zyne, hy vond er dus iets koopmansachtigs
in, iets derogeerends, in haar naam te vragen: "zyt ge my niet nog iets
schuldig?"🔗
En toch kon hy dien millioenendroom niet van zich schudden, al ware het
dan ook slechts om een verontschuldiging by de hand te hebben, by het
dikwyls voorkomend zelfverwyt dat hy te veel geld uitgaf.🔗
Eerst kort voor het terugkeeren naar Java, toen hy reeds veel geleden
had onder den druk van geldgebrek, toen hy zyn fier hoofd had moeten
buigen onder de furca caudina van menigen schuldeischer, had hy zyn
traagheid of zyn schroom kunnen overwinnen om werk te maken van de
millioenen die hy meende nog te-goed te hebben. En men antwoordde hem
met eene oude rekening-courant … een argument, zooals men weet,
waartegen niets valt intebrengen.🔗
Maar ze zouden zoo spaarzaam wezen te Lebak! En waarom ook niet? Er
dwalen in zoo'n onbeschaafd land, op den laten avend geen meisjes over
straat, die een weinig eer te verkoopen hebben voor een weinig
voedsel.[51] Er zwerven daar zoo geen menschen rond, die van
problematische beroepen leven. Daar valt het niet voor, dat een gezin
op-eens te-gronde gaat door wisseling van fortuin … en van zoodanigen
aard toch waren gewoonlyk de klippen waarop de goede voornemens van
Havelaar strandden. Het getal Europeanen in die Afdeeling was zoo gering
dat het niet in aanmerking komen kon, en de javaan te Lebak te arm
om—by welke lotwisseling ook—belangwekkend te worden door nog grooter
armoede. Dit alles overdacht Tine zoo niet—hiertoe toch had zy zich,
juister dan zy uit liefde voor Max doen wilde, rekenschap moeten geven
van de oorzaken hunner min gunstige omstandigheden—maar er lag in hun
nieuwe omgeving iets dat kalmte ademde, en afwezen van alle aanleidingen
—met meer of min valsch-romanesken tint dan—die vroeger Havelaar zoo
dikwyls hadden doen zeggen:🔗
—Niet waar, Tine, dàt is nu toch een geval waaraan ik me niet onttrekken
kan?🔗
En waarop zy altyd geantwoord had:🔗
—Wel neen, Max, dááraan kanje je niet onttrekken!🔗
We zullen zien hoe't eenvoudige, schynbaar onbewogen Lebak Havelaar
meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zyn hart te-zamen genomen.
Maar dit wisten zy niet! Zy zagen de toekomst met vertrouwen te-gemoet,
en voelden zich zoo gelukkig in hun liefde en in 't bezit van hun
kind …🔗
—Wat al rozen in den tuin, riep Tine, en ziedaar ook rampeh en
tjempaka, en zooveel melati, en zie eens al die schoone lelien …🔗
En, kinderen als ze waren, vermaakten zy zich met hun nieuw huis. En
toen 's avends Duclari en Verbrugge, na een bezoek by Havelaar,
terugkeerden naar hun gemeenschappelyke woning, spraken zy veel over de
kinderlyke vroolykheid van de nieuw aangekomen familie.🔗
Havelaar begaf zich naar zyn kantoor, en bleef daar den nacht door, tot
den volgenden morgen.🔗