Saïdjah's vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen
deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van
Parang-Koedjang, was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen
lang. Want de tyd van ploegen was naby, en 't was te vreezen, als men de
sawah niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan,
en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in den
lombong van het huis.🔗
Ik moet hierby voor lezers, die wel Java doch niet Bantam kennen, de
opmerking maken dat in deze residentie persoonlyk grondeigendom
bestaat, wat elders niet het geval is.[142]🔗
Saïdjah's vader nu was zeer bekommerd. Hy vreesde dat zyn vrouw
behoefte zou hebben aan ryst, en ook Saïdjah die nog een kind was, en
de broertjes en zusjes van Saïdjah.🔗
Ook zou het distriktshoofd hem aanklagen by den adsistent-resident, als
hy achterlyk was in de betaling van zyn landrenten. Want daarop staat
straf by de wet.🔗
Toen nam Saïdjah's vader een kris die poesaka was van zyn vader.
De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de
scheede, en ook op de punt der scheede was een plaatje zilver. Hy
verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam
te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een anderen
buffel kocht.🔗
Saïdjah, die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met den nieuwen
buffel spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel:
vriendschap, want het is inderdaad treffend te zien hoe de Javasche
kerbo zich hecht aan den kleinen jongen die hem bewaakt en verzorgt.
Het sterke dier buigt gewillig den zwaren kop rechts of links of omlaag
naar den vingerdruk van 't kind, dat hy kent, dat hy verstaat, waarmede
hy is opgegroeid.🔗
Zulke vriendschap dan had ook de kleine Saïdjah spoedig weten
inteboezemen aan den nieuwen gast, en Saïdjah's aanmoedigende
kinderstem scheen meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften
van 't sterke dier, als het den zwaren kleigrond opscheurde en zyn weg
teekende in diepe scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hy aan
't eind was van den akker, en verloor geen duimbreed gronds by het
terugploegen van de nieuwe voor, die altyd naast de oude lag als ware de
sawah een tuingrond geweest, geharkt door een reus.🔗
Daarnaast lagen de sawahs van Adinda's vader, den vader van 't kind
dat met Saïdjah huwen zou. En als Adinda's broertjes aankwamen aan
de tusschenliggende grens, juist als ook Saïdjah dáár was met zyn
ploeg, dan riepen zy elkander vroolyk toe, en roemden om-stryd de kracht
en de gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van
Saïdjah de beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de
anderen wisttoetespreken. Want buffels zyn zeer gevoelig voor goede
toespraak.🔗
Saïdjah was negen jaar oud geworden, en Adinda reeds zes jaren, voor
deze buffel aan Saïdjah's vader werd afgenomen door het distriktshoofd
van Parang-Koedjang.🔗
Saïdjah's vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee
zilveren klamboe-haken, poesaka van de ouders zyner vrouw, voor
achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwen buffel.🔗
Maar Saïdjah was bedroefd. Want hy wist van Adinda's broertjes, dat
de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn
vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy dáár was om de
klamboe-haken te verkoopen? Op welke vraag Saïdjah's vader niet had
willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel geslacht was, zooals
de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking.🔗
En Saïdjah schreide veel als hy dacht aan den armen buffel waarmede hy
twee jaren zoo innig had omgegaan. En hy kon niet eten, langen tyd, want
zyn keel was te nauw als hy slikte.🔗
Men bedenke dat Saïdjah een kind was.🔗
De nieuwe buffel leerde Saïdjah kennen, en nam in de genegenheid van
't kind zeer spoedig de plaats in van zyn voorganger … al te spoedig
eigenlyk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart worden zoo licht
gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zy, de
nieuwe buffel was wel niet zoo sterk als de vorige … wel was 't oude
juk te ruim voor zyn schoft … maar 't arme dier was gewillig als zyn
voorganger die geslacht was, en al kon dan Saïdjah niet meer roemen op
de kracht van zyn buffel by 't ontmoeten van Adinda's broertjes aan de
grens, hy beweerde toch dat geen ander den zynen overtrof in goeden wil.
En wanneer de vore niet zoo rechtlynig liep als voorheen, of als er
aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hy dat gaarne by met
zyn patjol, zooveel hy kon. Bovendien, geen buffel had een
oeser-oeseran als de zyne. De penghoeloe zelf had gezegd dat er
ontong was in den loop van die haarwervels op de achterschoften.🔗
Eens, in 't veld, riep Saïdjah tevergeefs zyn buffel toe, wat spoed te
maken. Het dier stond pal. Saïdjah, verstoord over zoo groote en
vooral zoo ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een
beleediging te uiten. Hy riep: a.s. Ieder die in Indie geweest is, zal
my verstaan. En wie me niet verstaat, wint er by dat ik hem de uitlegging
spaar van een grove uitdrukking.🔗
Saïdjah bedoelde evenwel niets kwaads daarmede. Hy zei 't maar omdat
hy 't zoo dikwyls had hooren zeggen door anderen, als ze ontevreden
waren over hun buffels. Maar hy had het niet behoeven te zeggen, want
het baatte niets: zyn buffel deed geen stap verder. Hy schudde den kop
als om 't juk aftewerpen, men zag den adem uit zyn neusgaten … hy
blaasde, sidderde, rilde … er was angst in zyn blauw oog, en de
bovenlip was opgetrokken zoodat het tandvleesch bloot lag …🔗
"Vlucht, vlucht, riepen op-eenmaal Adinda's broertjes, Saïdjah,
vlucht! Daar is een tyger!"🔗
En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op
de breede ruggen, en galoppeerden weg door sawahs, over galangans,
door modder, door kreupelhout en bosch en allang-allang, langs velden
en wegen. En toen ze hygend en zweetend binnenrenden in het dorp
Badoer, was Saïdjah niet by hen.🔗
Want toen deze zyn buffel, bevryd van het juk, had bestegen als de
anderen om te vluchten als zy, had een onverwachtte sprong van het dier
hem 't evenwicht benomen en ter-aarde geworpen. De tyger was zeer na …🔗
Saïdjah's buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot eenige
sprongen voorby de plek waar zyn kleine meester den dood wachtte. Maar
door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verder
gegaan dan Saïdjah. Want nauw had het de stuwing overwonnen die alle
stof beheerscht, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde,
of 't keerde terug, zette zyn lomp lyf op zyn lompe pooten als een dak
over het kind, en keerde zyn gehoornden kop naar den tyger. Deze sprong
… maar hy sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zyn hoornen, en
verloor slechts wat vleesch dat de tyger hem uitsloeg aan den hals. De
aanvaller lag daar met opgescheurden buik, en Saïdjah was gered. Wèl
was er ontong, geweest in de oeser-oeseran van dien buffel![143]🔗
Toen deze buffel aan Saïdjah's vader was afgenomen, en geslacht …🔗
Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.🔗
… toen deze buffel geslacht was, telde Saïdjah twaalf jaar, en
Adinda weefde sarongs, en batikte die met puntige kapala. Ze had
reeds gedachten te brengen in den loop van haar verfschuitje, en ze
teekende droefheid op haar weefsel, want ze had Saïdjah zeer
treurig gezien.🔗
En ook Saïdjah's vader was bedroefd, doch zyn moeder het meest. Deze
toch had de wonde genezen aan den hals van het trouwe dier dat haar kind
ongedeerd had thuis-gebracht, nadat zy op de mare van Adinda's
broertjes gemeend had dat het was weggevoerd door den tyger. Ze had die
wond zoo dikwyls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die zóó ver
indrong in de ruwe vezelen van den buffel, zou voortgedreven zyn in 't
weeke lyf van haar kind, en telkens als ze versche geneeskruiden had
gelegd op de wonde, streelde zy den buffel en sprak hem eenige
vriendelyke woorden toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe
dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht
verstaan hebben, want dan had hy ook haar schreien begrepen toen hy werd
weggevoerd om geslacht te worden, en hy had geweten dat het niet
Saïdjah's moeder was, die hem slachten liet.🔗
Eenigen tyd daarna vluchtte Saïdjah's vader uit het land. Want hy was
zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en
hy had geen poesaka meer om een nieuwen buffel te koopen, daar zyn
ouders altyd in Parang-Koedjang, woonden, en hem dus weinig hadden
nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde
distrikt. Na 't verlies van den laatsten buffel hield hy zich nog eenige
jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een
zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't
bezit van eigen buffels geweest is. Saïdjah's moeder stierf van
verdriet, en toen maakte zyn vader in een moedeloos oogenblik zich weg
uit Lebak en uit Bantam, om werk te zoeken in 't Buitenzorgsche.
Hy werd met rottingslagen gestraft omdat hy Lebak verlaten had zonder
pas, en door de policie teruggebracht naar Badoer. Hier werd hy in de
gevangenis geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zoo
onverklaarbaar niet zou geweest zyn, en omdat men vreesde dat hy in een
oogenblik van matah-glap, misschien amokh maken of andere
verkeerdheden begaan zou. Maar hy was niet lang gevangen, wyl hy kort
daarop stierf.🔗
Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van Saïdjah, weet ik
niet. Het huisje dat zy bewoonden te Badoer, stond eenigen tyd ledig,
en spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en
gedekt met atap. Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel
geleden werd. Er zyn veel zulke plekken in Lebak.🔗
Saïdjah was reeds vyftien jaar, toen zyn vader naar Buitenzorg
vertrok. Hy had dezen niet daarheen vergezeld omdat hy grooter plannen
in zyn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te Batavia zooveel
heeren waren die in bendies reden, en dat er dus misschien voor hem
een dienst zou te vinden zyn als bendie-jongen, waartoe men gewoonlyk
iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel
zwaarte achter op het tweewielig rytuig, 't evenwicht te breken. Er was,
had men hem verzekerd, by goed gedrag veel te winnen in zoodanige
bediening. Misschien zelfs zou hy op deze wyze binnen drie jaren geld
kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te koopen. Dit vooruitzicht
lachte hem toe. Met fieren tred, zooals iemand gaat die groote zaken in
den zin heeft, trad hy na 't vertrek zyns vaders by Adinda binnen, en
deelde haar zyn plan mede.🔗
—Denk eens, zeide hy, als ik wederkom zullen wy oud genoeg zyn om te
trouwen, en we zullen twee buffels hebben!🔗
—Heel goed, Saïdjah! Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt.
Ik zal spinnen, en sarongs en slendangs weven, en batikken, en
heel vlytig zyn al dien tyd.🔗
—O, ik geloof je, Adinda! Maar … als ik je getrouwd vind?🔗
—Saïdjah, je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Myn
vader heeft me toegezegd aan uw vader.🔗
—En jyzelf?🔗
—Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van!🔗
—Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte …🔗
—Wie zal dat hooren, als we ryst stampen in 't dorp?🔗
—Dat is waar. Maar Adinda … o ja, dit is beter: wacht me by het
djati-bosch, onder den ketapan waar je my de melatti hebt gegeven.🔗
—Maar, Saïdjah, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te
wachten by den ketapan?🔗
Saïdjah bedacht zich een oogenblik, en zeide:🔗
—Tel de manen. Ik zal uitblyven driemaal twaalf manen … deze maan
rekent niet mee. Zie, Adinda, kerf een streep in je rystblok by elke
nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik den
dag die dáárop volgt, aankomen onder den ketapan. Beloof je, dáár
te zyn?🔗
—Ja, Saïdjah! Ik zal onder den ketapan by het djatibosch wezen als
je terugkomt.🔗
Nu scheurde Saïdjah een strook van zyn blauwen hoofddoek, die zeer
versleten was, en hy gaf dat stukje lynwaad aan Adinda, dat ze 't
bewaren zou als een pand. En toen verliet hy haar en Badoer.🔗
Hy liep vele dagen voort. Hy ging Rangkas-Betoeng voorby, dat nog niet
de hoofdplaats was van Lebak, en Waroeng-Goenoeng waar toen de
adsistent-resident woonde, en den volgenden dag zag hy Pandeglang dat
daar ligt als in een tuin. Weder een dag later kwam hy te Serang, aan,
en stond verbaasd over de pracht van zulke groote plaats met vele
huizen, gebouwd van steen, en gedekt met roode pannen. Saïdjah had
nooit zoo-iets gezien. Hy bleef daar een dag omdat hy vermoeid was, maar
's nachts in de koelte ging hy verder, en kwam tot Tangerang den
volgenden dag, voor nog de schaduw gedaald was tot zyn lippen, hoewel hy
den grooten toedoeng, droeg, dien zyn vader hem had achtergelaten.🔗
Te Tangerang baadde hy zich in de rivier naby de overvaart, en hy
rustte uit in 't huis van een bekende zyns vaders, die hem wees hoe men
stroohoeden vlecht, even als die van Manilla komen.[144] Hy bleef daar
een dag om dit te leeren, omdat hy bedacht hiermee later iets te kunnen
verdienen, in-geval hy niet slagen mocht te Batavia. Den volgenden dag
tegen den avend toen 't koel werd, bedankte hy zyn gastheer zeer, en
ging verder. Zoodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou,
haalde hy het blad tevoorschyn, waarin hy de melatti bewaarde, die
Adinda hem gegeven had onder den ketapan-boom. Want hy was bedroefd
geworden omdat hy haar niet zien zou in zóó langen tyd. Den eersten dag,
en ook den tweeden, had hy minder sterk gevoeld hoe alléén hy was, omdat
zyn ziel geheel was ingenomen door 't groote denkbeeld geld te verdienen
tot het koopen van twee buffels, daar zyn vader zelf nooit meer bezeten
had dan één, en zyn gedachten richtten zich te veel op 't weerzien van
Adinda, om plaats te bieden aan veel droefheids over 't afscheid. Hy
had dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zyn gedachten het
vastgeknoopt aan 't eindelyk terugzien onder den ketapan. Want zóó
groote rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zyn hart, dat hy, by
't verlaten van Badoer dien boom voorbygaande, iets vroolyks voelde,
als waren ze reeds voorby, de zes-en-dertig manen die hem scheidden van
dat oogenblik. Het was hem voorgekomen dat hy slechts omtekeeren had
alsof hy reeds terugkwam van de reis, om Adinda te zien, hem wachtende
onder dien boom.🔗
Maar hoe verder hy zich verwyderde van Badoer, en hoe meer hy lette op
den vreeselyken duur van één dag, hoe meer hy de zes-en-dertig manen die
voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zyn ziel, dat hem
minder snel deed voortstappen. Hy voelde droefheid in zyn knieën, en al
was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die
niet ver is van moedeloosheid. Hy dacht er aan, terugtekeeren, maar wat
zou Adinda zeggen van zóó weinig hart?🔗
Daarom liep hy door, al ging hy minder snel-dan den eersten dag. Hy had
de melatti in de hand, en drukte die dikwyls tegen zyn borst. Hy was
veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hy
vroeger zoo kalm geleefd had, daar toch Adinda zoo naby hem was en hy
haar zien kon telkens en zoo lang hy wilde. Want nù zou hy niet kalm
wezen als hy verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook
begreep hy niet dat hy na 't afscheid niet nogeens was teruggekeerd om
haar nog éénmaal aantezien. Ook kwam hem voor den geest hoe hy nog kort
geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor den
lalayang van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hy
meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddingschap was
verloren gegaan tegen de kinderen uit Tjipoeroet. "Hoe was 't mogelyk,
dacht hy, hierover boos te worden op Adinda? Want al hàd zy een fout
gesponnen in de koord, en al ware de weddingschap van Badoer tegen
Tjipoeroet verloren dáárdoor, en niet door de glasscherf—zoo
ondeugend en handig dan geworpen door den kleinen Djamien die zich
verschool achter den pagger—had ik zelfs dàn zoo hard mogen wezen
tegen haar, en haar noemen met onbehoorlyke namen? Wat zal 't zyn, als
ik sterf te Batavia zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zóó
groote ruwheid? Zal 't niet wezen alsof ik een slecht mensch ben die
scheldwoorden werpt op een meisje? En zal niet, als men hoort dat ik
gestorven ben in een vreemd land, ieder te Badoer zeggen: het is goed
dat Saïdjah stierf, want hy heeft een grooten mond gehad tegen
Adinda?"🔗
Zoo namen zyn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige
overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woorden
binnen'smonds, weldra in een alleenspraak, en eindelyk in den
weemoedigen zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was myn
voornemen wat maat en rym te brengen in die overzetting, doch evenals
Havelaar vind ik beter dat keurslyf wegtelaten.🔗
"Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de groote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met
myn vader om zout te maken.
Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe
water, zullen er haaien komen.
Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: "wie van ons zal
het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?"🔗
Ik zal 't niet hooren.🔗
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het huis zien branden van Pa-ansoe, dat hyzelf had aangestoken
omdat hy mata-glap was.
Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout
neervallen op myn lyk.
En buiten het huis zal een groot geroep zyn van menschen die water
werpen om het vuur te dooden.🔗
Ik zal 't niet hooren.🔗
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb den kleinen Si-oenah zien vallen uit den klappa-boom, toen
hy een klappa plukte voor zyne moeder.
Als ik val uit een klappa-boom, zal ik dood nederliggen aan den
voet, in de struiken, als Si-oenah.
Dan zal myne moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen
zullen roepen: "zie, daar ligt Saïdjah! met harde stem.🔗
Ik zal 't niet hooren.🔗
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het lyk gezien van Pa-lisoe, die gestorven was van hoogen
ouderdom, want zyne haren waren wit.
Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen
om myn lyk staan.
En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by Pa-lisoe's lyk.
En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.🔗
Ik zal 't niet hooren.🔗
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren. Men kleedde
hen in een wit kleed, en begroef hen in den grond.
Als ik sterf te Badoer, en men begraaft my buiten de dessah, oostwaarts
tegen den heuvel, waar 't gras hoog is,
Dan zal Adinda daar voorbygaan, en de rand van haar sarong zal zachtkens
voortschuiven langs het gras…🔗
Ik zal het hooren."🔗
Saïdjah kwam te Batavia aan. Hy verzocht een heer hem in dienst te
nemen, hetgeen die heer terstond deed omdat hy Saïdjah niet verstond.
Want te Batavia heeft men gaarne bedienden die nog geen maleisch
spreken en dus nog niet zoo bedorven zyn als anderen die langer in
aanraking waren met europesche beschaving. Saïdjah leerde spoedig
maleisch, maar paste braaf op want hy dacht altyd aan de twee buffels
die hy koopen wilde, en aan Adinda. Hy werd groot en sterk omdat hy
alle dagen at, wat te Badoer niet altyd wezen kon. Hy was bemind in
den stal, en zou zeker niet afgewezen zyn als hy de dochter van den
koetsier ten-huwelyk gevraagd had. Zyn heer zelf hield zooveel van
Saïdjah, dat deze spoedig werd verheven tot huisbediende. Men
verhoogde zyn loon, en gaf hem bovendien gedurig geschenken, omdat men
zoo byzonder tevreden was over zyn diensten. Mevrouw had den roman van
Sue gelezen die zooveel kort gerucht maakte, en dacht altyd aan prins
Djalma wanneer ze Saïdjah zag. Ook de jonge meisjes begrepen beter
dan vroeger hoe de javaansche schilder Radhen Saleh zoo grooten opgang
had gemaakt te Parys.🔗
Maar men vond Saïdjah ondankbaar toen hy, na byna drie jaren dienst,
zyn ontslag vroeg en om een bewys verzocht dat hy zich goed gedragen
had. Men kon hem dit echter niet weigeren, en Saïdjah ging met een
vroolyk hart op reis.🔗
Hy ging voorby Pising, waar eens Havelaar woonde, lang geleden. Maar
dit wist Saïdjah niet. En al had hy 't geweten, hy droeg heel iets
anders in de ziel dat hem bezig hield. Hy telde de schatten die hy
t'huisbracht. In een bamboezen rol had hy zyn pas en 't getuigschrift
van goed gedrag. In een koker die aan een lederen riem bevestigd was,
scheen iets zwaars gedurig te slingeren tegen zyn schouder, maar hy
voelde dit gaarne … ik geloof 't wèl! Dáárin waren dertig
spaansche-matten, genoeg om drie buffels te koopen. Wat zou Adinda
zeggen! En dit was nog niet alles. Op zyn rug zag men de met zilver
beslagen scheede van een kris dien hy in den gordel droeg. Het gevest
was zeker van fyn uitgesneden kamoening, want hy had het met veel zorg
gewikkeld in een zyden omhulsel. En hy bezat nog meer schatten. In de
wrong van den kahin om zyn lendenen bewaarde hy een buikband van
breede zilveren schakels, met gouden ikat-pendieng. Het is waar dat de
band kort was: maar ze was zoo slank … Adinda!🔗
En aan een koordjen om den hals, onder zyn voor-baadjoe droeg hy een
zyden zakje, waarin eenige verdroogde melatti.🔗
Was 't wonder dat hy te Tangerang zich niet langer ophield dan noodig
was tot het bezoeken van den bekende zyns vaders, die zoo fyne
stroohoeden vlocht? Was 't wonder dat hy weinig zeide tot de meisjes op
zyn weg, die hem vroegen: "waarheen, vanwaar?" zooals de groet is in die
streken? Was 't wonder dat hy Serang, niet meer zoo voornaam vond, hy
die Batavia had leeren kennen? Dat hy niet meer wegkroop in de Pagger,
zooals hy deed voor drie jaren, toen de resident kwam voorbyryden, hy die
den veel grooteren heer had gezien, die te Buitenzorg woont en de
grootvader is van den Soesoehoenan van Solo? Was 't wonder dat hy
weinig acht sloeg op de vertellingen van wie een eind wegs met hem gingen
en spraken van al 't nieuws in Bantan-Kidoel? Dat hy nauwelyks luisterde
toen men hem verhaalde dat de koffikultuur na veel onbeloonde moeite
geheel was ingetrokken? Dat het distriktshoofd van Parang-Koedjang wegens
roof op den publieken weg was veroordeeld tot veertien dagen arrest
ten-huize van zyn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verlegd naar
Rangkas-Betoeng? Dat er een nieuwe adsistent-resident gekomen was, omdat
de vorige was gestorven, eenige maanden geleden? Hoe die nieuwe beambte
gesproken had op de eerste sebah-vergadering? Hoe er sedert eenigen tyd
niemand was gestraft wegens klachte, en hoe men onder de bevolking hoopte
dat al 't gestolene zou worden weergegeven of vergoed?🔗
Neen, schooner beelden vertoonden zich voor 't oog zyner ziel. Hy zocht
den ketapan-boom in de wolken, te vèr nog als hy was om dien te zoeken
by Badoer. Hy greep naar de lucht die hem omgaf, als wilde hy de
gestalte omvatten die hem wachten zou onder dien boom. Hy teekende zich
Adinda's gelaat, haar hoofd, haar schouder … hy zag den zwaren
kondeh, zoo glinsterend zwart, gevangen in eigen strik, afhangend in
haar hals … hy zag haar groot oog, schitterend in donkeren weerschyn
… de neusvleugels die ze zoo fier optrok als kind, wanneer hy—hoe
was't mogelyk!—haar plaagde, en den hoek van haar lippen waarin zy een
glimlach bewaarde. Hy zag hare borst, die nu zwellen zou onder de
kabaai … hy zag hoe de sarong, die zyzelf geweven had, haar heupen
nauw omsloot, en, de dy volgend in gebogen lyn, langs de knie neerviel
in heerlyke golving op den kleinen voet …🔗
Neen, hy hoorde weinig van wat men hem zeide. Hy hoorde geheel andere
tonen. Hy hoorde hoe Adinda zeggen zou: "zy wèl gekomen, Saïdjah! Ik
heb aan u gedacht by spinnen en by weven, en by 't stampen van de ryst
in het blok dat driemaal twaalf kerven draagt van myne hand. Hier ben ik
onder den ketapan, den eersten dag der nieuwe maan. Zy wèl gekomen,
Saïdjah: ik wil uw vrouw zyn!"🔗
Dàt was de muziek die in zyn ooren weerklonk, en hem belette te
luisteren naar al 't nieuws dat men hem verhaalde op zyn weg.🔗
Eindelyk zag hy den ketapan. Of liever hy zag een donkere plek die
veel sterren bedekte voor zyn oog. Dat moest het Djati-bosch wezen, by
den boom waar hy Adinda zou weerzien, den volgenden dag na 't opgaan
van de zon. Hy zocht in het duister, en betastte vele stammen. Weldra
vond hy een bekende oneffenheid aan de zuidzyde van een boom, en hy
legde den vinger in een gleuf die Si-Panteh daarin gehakt had met zyn
parang, om den pontianak te bezweren die schuld had aan de tandpyn
van Panteh's moeder, kort voor de geboorte van zyn broertje. Dàt was
de ketapan dien hy zocht.🔗
Ja, wèl was dit de plek waar hy voor 't eerst Adinda anders had
aangezien dan zyn overige speelnootjes, omdat ze daar voor 't eerst
geweigerd had deeltenemen aan een spel dat ze toch had meegespeeld met
alle kinderen, knapen en meisjes, nog kort te voren. Dáár had ze hem de
melatti gegeven.🔗
Hy zette zich neder aan den voet van den boom, en zag op naar de
sterren. En als er een verschoot, nam hy dit aan als een groet by zyn
wederkomst te Badoer. En hy dacht er aan, of Adinda nu slapen zou?
En of ze wel goed de manen had ingesneden in haar rystblok? Het zou hem
zoo smarten wanneer zy een maan had overgeslagen, alsof 't niet genoeg
ware … zes-en-dertig! En of ze schoone sarongs en slendangs zou
gebatikt hebben? En ook vroeg hy zich, wie er toch wel wonen zou in
zyns vaders huis? En zyn jeugd kwam hem voor den geest, en zyne moeder,
en hoe die buffel hem had gered van den tyger, en hy bepeinsde wat er
toch zou geworden zyn van Adinda als die buffel minder trouw ware
geweest?🔗
Hy lette zeer op het dalen van de sterren in 't Westen, en by elke ster
die aan de kim verdween, berekende hy hoe de zon weer iets nader was aan
haren Opgang in het oosten, en hoeveel nader hyzelf aan 't weerzien
van Adinda.🔗
Want zeker zou ze komen by den eersten straal, ja, by 't schemeren reeds
zou ze daar zyn … ach, waarom was ze niet reeds gekomen den vorigen dag?🔗
Het bedroefde hem dat ze 't niet was vooruitgeloopen, het schoone
oogenblik dat hem drie jaren lang de ziel had voorgelicht met
onbeschryfelyken glans. En, onbillyk als hy was in de zelfzucht zyner
liefde, scheen 't hem toe dat Adinda had moeten dáár zyn, wachtende op
hèm, hy die zich nu beklaagde—vóór den tyd reeds!—dat hy te wachten
had op háár.🔗
Maar hy beklaagde zich ten-onrechte. Want nog was de zon niet opgegaan,
nog had het oog van den dag geen blik geworpen op de vlakte. Wel
verbleekten de sterren daar omhoog, beschaamd dat er spoedig een eind
komen zou aan haar heerschappy … wel vloeiden er vreemde kleuren over
de toppen der bergen, die donkerder schenen naarmate ze scherper
afstaken op lichteren grond … wel vloog er hier-en-daar door de wolken
in het oosten iets gloeiends—pylen van goud en van vuur die
heen-en-weer werden geschoten, evenwydig aan de kim—maar ze verdwenen
weer en schenen neertevallen achter de ondoordringbare gordyn die nog
altyd den dag bleef verbergen voor de oogen van Saïdjah.🔗
Toch werd het allengs lichter en lichter om hem heen. Hy zag reeds het
landschap, en reeds kon hy de kuif onderscheiden van het klappa-boschje
waarin Badoer verscholen ligt … daar sliep Adinda.🔗
Neen, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat
Saïdjah haar wachten zou? Gewis, ze had niet geslapen den ganschen
nacht! Zeker had de dorpswacht geklopt aan hare deur, om te vragen
waarom de pelitah voortbrandde in haar huisjen, en met lieven lach had
ze gezegd dat een gelofte haar wakker hield om den slendang afteweven
waaraan ze bezig was, en die gereed moest zyn voor den eersten dag der
nieuwe maan …🔗
Of ze had den nacht doorgebracht in 't donker, zittend op haar rystblok,
en tellende met begeerigen vinger dat er wel waarlyk daarin
zes-en-dertig diepe strepen stonden gekorven naast elkander. En ze had
zich vermaakt met kunstigen schrik of ze zich misschien verrekende, of
er wellicht nog eene ontbrak, om nogeens, en nogeens, en telkens weder
te genieten van de heerlyke zekerheid dat er wel degelyk driemaal twaalf
manen waren voorbygegaan sedert Saïdjah haar zag voor het laatst.🔗
Ook zy zou thans, nu 't al zoo licht werd, haar oogen inspannen met
vruchtelooze vermoeienis om de blikken te buigen òver de kim, opdat ze
de zon zouden ontmoeten, de trage zon, die wegbleef … wegbleef …🔗
Daar kwam een streep van blauwig rood die zich vastklemde aan de wolken,
en de randen werden licht en gloeiend, en 't begon te bliksemen, en weer
schoten er pylen van vuur door het luchtruim, maar ze vielen niet neder
ditmaal, ze hechtten zich vast op den donkeren grond, en deelden hun
gloed mede in grooter en grootere kringen, en ontmoetten elkander,
kruisend, slingerend, wendend, dwalend, en ze vereenigden zich tot
vuurbundels, en weerlichtten in gouden glans op een grond van paarlemoer,
en er was rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat
alles … o God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van Adinda!🔗
Saïdjah had niet geleerd te bidden, en 't ware ook jammer geweest hem
dat te leeren want heiliger gebeden vuriger dank dan er lag in de
sprakelooze opgetogenheid zyner ziel, was niet te vatten in menschelyke
taal.🔗
Hy wilde niet naar Badoer gaan. Het weerzien zelf van Adinda kwam
hem minder schoon voor, dan de zekerheid haar straks te zullen weerzien.
Hy zette zich aan den voet van den ketapan, en liet zyn oogen dwalen
over de landstreek. De natuur lachte hem toe en scheen hem welkom te
heeten als een moeder haar teruggekeerd kind. En even als deze haar
vreugde schildert door eigenwillige herinnering aan de voorbygegane
smart, by 't vertoonen van wat ze bewaarde als aandenken gedurende het
afzyn, liet ook Saïdjah zich vermaken door 't weerzien van zoovele
plekken die getuigen waren van zyn kort leven. Maar hoe ook zyn oogen of
zyn gedachten ronddwaalden, telkens viel zyn blik en zyn verlangen terug
op het pad dat van Badoer leidt naar den ketapan. Alles wat zyn
zinnen waarnamen, heette Adinda. Hy zag den afgrond links, waar de
aarde zoo geel is, waar eens een jonge buffel verzonk in de diepte: daar
hadden de dorpelingen zich verzameld om het dier te redden—want het is
geen geringe zaak een jongen buffel te verliezen—en ze hadden zich
neergelaten aan sterke rottan-koorden. Adinda's vader was de
moedigste geweest … O, hoe zy in de handen klapte, Adinda!🔗
En daarginds, aan de andere zyde, waar 't kokosboschje wuift over de
hutten van het dorp, daar ergens was Si-Oenah uit een boom gevallen,
en gestorven. Hoe schreide zyn moeder: "omdat Si-Oenah nog zoo klein
was" jammerde zy … alsof ze minder bedroefd zou geweest zyn als
Si-Oenah grooter geweest ware. Maar klein was hy, dàt is waar, want hy
was kleiner en zwakker nog dan Adinda …🔗
Niemand betrad het wegje dat van Badoer leidde naar den boom. Straks
zou ze komen: o, zeker.. 't was nog zoo vroeg!🔗
Saïdjah zag een badjing die met dartele vlugheid heen-en-weersprong
tegen den stam van een klappa-boom. Het diertje—de ergernis van den
eigenaar des booms, maar lief toch in gedaante en beweging—klauterde
onvermoeid op-en-neder. Saïdjah zag het, en dwong zich er naar te
blyven zien, wyl dit aan zyn gedachten rust gaf van den zwaren arbeid
dien ze verrichtten sedert het opgaan der zon … rust na 't afmattend
wachten. Welhaast uitten zich zyn indrukken in woorden, en hy zong wat
er omging in zyn ziel. Het ware my liever u zyn lied te kunnen
voorlezen in 't maleisch, dat italiaansch van het Oosten[145] doch
ziehier de vertaling:🔗
"Zie hoe de badjing zyn levensonderhoud zoekt
Op den klappa-boom. Hy stygt, daalt, dartelt links en rechts,
Hy draait om den boom, springt, valt, klimt, en valt weder:
Hy heeft geen vleugels, en is toch zoo vlug als een vogel.🔗
Veel geluk, myn badjing, ik wensch u heil!
Ge zult gewis vinden het levensonderhoud dat ge zoekt…
Maar ik zit alleen by het djati-bosch,
Wachtende op levensonderhoud van myn hart.🔗
Reeds lang is het buikje van myn badjing verzadigd…
Reeds lang is hy teruggekeerd in zyn nestje…
Maar nog altyd is myn ziel
En myn hart bitter bedroefd.. Adinda!"🔗
Nog was er niemand op het pad dat van Badoer leidde naar den
ketapan.🔗
Saïdjah's oog viel op een kapel die zich scheen te verheugen omdat het
begon warm te worden.🔗
"Zie hoe de vlinder daar rondfladdert.
Zyn vlerkjes schitteren als een veelkleurige bloem.
Zyn hartjen is verliefd op den bloesem der kenari.
Zeker zoekt hy zyn welriekende geliefde.🔗
Veel geluk, myn vlinder, ik wensch u heil!
Ge zult gewis vinden wat gy zoekt…
Maar ik zit alleen by het djati-bosch,
Wachtende op wat myn hart liefheeft.🔗
Reeds lang heeft de vlinder gekust
Den kenari-bloesem die hy zoozeer bemint…
Maar nog altyd is myn ziel
En myn hart bitter bedroefd… Adinda!"🔗
En er was niemand op het pad dat van Badoer leidde naar den boom.🔗
De zon begon reeds hoog te staan … er was al hitte in de lucht.🔗
"Zie, hoe de zon schittert daar omhoog,
Hoog boven den waringi-heuvel!
Ze voelt zich te warm, en wenscht neertedalen,
Om te slapen in zee, als in de armen van een gade.🔗
Veel geluk, o zon, ik wensch u heil!
Wat gy zoekt, zult ge gewis vinden…
Maar ik zit alleen by het djati-bosch,
Wachtende op rust voor myn hart.🔗
Reeds lang zal de zon ondergegaan wezen,
En slapen in de zee, als alles duister is…
En nog altyd zal myn ziel
En myn hart bitter bedroefd zyn…. Adinda!🔗
Nog was er niemand op den weg die er leidt van Badoer naar den
ketapan.🔗
"Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen,
Als de sterren niet meer zullen schitteren,
Als de melatti niet meer welriekend zal wezen,
Als er niet langer bedroefde harten zyn,
Noch wild gedierte in het woud…
Als de zon verkeerd zal loopen,
En de maan vergeten wat oost en west is…
Als dàn Adinda nog niet gekomen is,
Dan zal een engel met blinkende vleugelen
Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef.
Dan zal myn lyk hier liggen onder den ketapan…
Myn ziel is bitter bedroefd… Adinda!"🔗
Nog was er niemand op het pad dat van Badoer leidde naar den
ketapan.🔗
"Dan zal myn lyk door den engel gezien worden.
Hy zal het zyn broederen aanwyzen met den vinger:🔗
"Ziet, daar is een gestorven mensch vergeten,
Zyn verstyfde mond kust een melatti-bloem.
Komt, dat wy hem opnemen en ten-hemel dragen,
Hem, die op Adinda gewacht heeft tot hy dood was.
Gewis, hy mag niet daar achterblyven,
Wiens hart de kracht had zóó te beminnen!"🔗
Dan zal nog ééns myn verstyfde mond zich openen
Om Adinda te roepen, die myn hart lief heeft…
Nog éénmaal zal ik de melatti kussen
Die zy me gaf… Adinda… Adinda!"🔗
En nog altyd was er niemand op het pad dat van Badoer leidde naar den
boom.🔗
O, ze was gewis tegen den morgenstond in slaap gevallen, vermoeid van 't
waken gedurende den nacht, van 't waken vele lange nachten door! Zeker
had ze niet geslapen sedert weken: zóó was het!🔗
Zou hy opstaan en naar Badoer gaan? Neen! Mocht het schynen alsof er
twyfel was aan haar komst?🔗
Als hy den man riep die daarginds zyn buffel naar 't veld dreef? Die man
was te ver. En bovendien Saïdjah wilde niet spreken over Adinda,
niet vragen naar Adinda … hy wilde haar weerzien, háár alleen, háár
het eerst! O zeker, zéker zou ze nu spoedig komen!🔗
Hy zou wachten, wachten …🔗
Maar als ze ziek was, of … dood?🔗
Als een aangeschoten hert vloog Saïdjah 't pad op, dat van den
ketapan leidt naar het dorp waar Adinda woonde. Hy zag niets en
hoorde niets, en toch had hy iets kunnen hooren, want er stonden
menschen op den weg by den ingang van het dorp, die riepen: "Saïdjah,
Saïdjah!"🔗
Maar … was 't zyn haast, zyn drift, die hem belette Adinda's huis te
vinden? Hy was reeds voortgevlogen tot aan 't einde van den weg waar het
dorp ophoudt, en als dolzinnig keerde hy terug, en sloeg zich voor 't
hoofd omdat hy háár huis had kunnen voorbygaan zonder het te zien. Maar
weer was hy aan den ingang, en—myn God, was 't een droom?—weer had hy
Adinda's huis niet gevonden! Nogeens vloog hy terug, en op-eenmaal
bleef hy staan, greep met beide handen zyn hoofd, als om daaruit den
waanzin wegtepersen die hem beving, en riep luide: "dronken, dronken, ik
ben dronken!"🔗
En de vrouwen van Badoer kwamen uit hare huizen, en zagen met deernis
den armen Saïdjah daar staan, want zy herkenden hem, en begrepen dat
hy Adinda's huis zocht, en wisten dat er geen huis van Adinda was in
het dorp Badoer.🔗
Want, toen het distriktshoofd van Parang-Koedjan den buffel van
Adinda's vader had weggenomen …🔗
Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.🔗
… toen was Adinda's moeder gestorven van verdriet. En haar jongste
zusje was gestorven omdat het geen moeder had die 't zoogde. En
Adinda's vader, die vreesde voor de straf als hy zyn landrenten niet
betaalde …🔗
Ik weet het wel, ik weet het wel, dat myn verhaal eentonig is!🔗
… Adinda's vader was heengegaan uit het land. Hy had Adinda
meegenomen, met hare broeders. Maar hy had vernomen hoe de vader van
Saïdjah te Buitenzorg was gestraft met rottingslagen omdat hy
Badoer verlaten had zonder pas. En daarom was Adinda's vader niet
gegaan naar Buitenzorg, noch naar Krawang, noch naar de Preanger,
noch naar de Bataviasche Ommelanden … hy was gegaan naar
Tjilang-kahan, het distrikt van Lebak, dat aan de zee grenst. Daar
had hy zich verscholen in de bosschen, en gewacht op de komst van
Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-Ansioe, Abdoel-Isma en nog eenige
anderen die door het distriktshoofd van Parang-Koedjang beroofd waren
van hun buffels, en die allen vreesden voor straf als ze hun landrenten
niet betaalden. Daar hadden ze zich by-nacht meester gemaakt van een
visschersprauw, en waren in zee gestoken. Ze hadden westelyk gestuurd,
en hielden het land rechts van zich, tot aan Java-punt. Vanhier waren
zy noordwaarts gestevend tot ze Tanahitam voor zich zagen, dat de
europesche zeelieden Prinsen-eiland noemen. Zy waren dat eiland
omgezeild aan de oostzyde, en hadden toen aangehouden op de
Keizersbaai, zich richtende op den hoogen piek in de Lampongs. Zóó
althans was de weg dien men elkander fluisterend vóórzei in 't
Lebaksche, wanneer er gesproken werd over officieelen buffelroof en
onbetaalde landrenten.🔗
Maar de verbysterde Saïdjah verstond niet duidelyk wat men hem zeide.
Zelfs begreep hy niet goed het bericht van den dood zyn vaders. Er was
een gegons in zyn ooren als had men op een gong geslagen in zyn hoofd.
Hy voelde hoe 't bloed met schokken werd gewrongen door de aderen aan
zyn slapen, die dreigden te bezwyken onder den druk van zoo zware
uitzetting. Hy sprak niet, en staarde met verdoofden blik rond zonder te
zien wat om en by hem was, en berstte eindelyk uit in akelig gelach.🔗
Een oude vrouw nam hem mede naar haar huisjen en verpleegde den armen
dwaas. Weldra lachte hy niet meer zoo akelig, maar toch sprak hy niet.
Alleen 's nachts werden de hutgenooten opgeschrikt door zyn stem, als hy
toonloos zong: "ik weet niet waar ik sterven zal" en eenige bewoners
van Badoer legden geld tezamen, om een offer te brengen aan de
boaja's van den Tjioedjoeng voor de genezing van Saïdjah, dien men
voor zinneloos hield.🔗
Maar zinneloos was hy niet.🔗
Want eens by nacht, toen de maan helder lichtte, stond hy op van de
baleh-baleh, en verliet zachtkens het huis, en zocht naar de plek waar
Adinda gewoond had. Het was niet gemakkelyk die te vinden, omdat er
zoovéél huizen waren ingestort. Doch hy scheen de plaats te herkennen
aan de wydte van den hoek dien sommige lichtlynen door 't geboomte
vormden by haar ontmoeting in zyn oog, zooals de zeeman peiling neemt
op vuurtorens of uitstekende bergpunten.🔗
Ja, dáár moest het zyn …dáár had Adinda gewoond!🔗
Struikelend over halfvergane bamboe en over stukken van 't neergevallen
dak, baande hy zich een weg naar 't heiligdom dat hy zocht. En, waarlyk,
hy vond nog iets terug van den opstaanden Pagger waarnaast Adinda's
baleh-baleh gestaan had, en zelfs stak in dien pagger nog de
bamboezen pin, waaraan ze haar kleed hing als ze zich te slapen
legde …🔗
Maar de baleh-baleh was ingestort als het huis, en byna vergaan tot
stof. Hy nam een handvol daarvan, drukte het aan zyn geopende lippen, en
ademde zeer diep …🔗
Den volgenden dag vroeg hy aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar
't rystblok was dat er gestaan had op het erf van Adinda's huis? De
vrouw was verheugd dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om
dat blok te zoeken. Toen zy den nieuwen eigenaar aan Saïdjah kon
aanwyzen, volgde deze haar zwygend, en by 't rystblok gebracht, telde hy
daarop twee en dertig ingekorven strepen …🔗
Toen gaf hy die vrouw zooveel Spaansche-matten als noodig was tot het
koopen van een buffel, en verliet Badoer. Te Tjilang-Kahan kocht hy
een visschersprauw, en kwam daarmede na eenige dagen zeilens in de
Lampongs aan, waar de opstandelingen zich verzetten tegen het
nederlandsch gezag. Hy sloot zich aan by een bende Bantammers, niet om
te stryden zoozeer als om Adinda te zoeken. Want hy was zacht van
aard, en meer ontvankelyk voor droefenis dan voor bitterheid.🔗
Op zekeren dag dat de opstandelingen op-nieuw waren geslagen, doolde hy
rond in een dorp dat pas veroverd was door het nederlandsche leger, en
dus in brand stond.[146] Saïdjah wist dat de bende die daar vernietigd
was geworden, grootendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook
waarde hy rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond
het lyk van Adinda's vader met een klewang-bajonetwonde in de borst.
Naast hem zag Saïdjah de drie vermoorde broeders van Adinda,
jongelingen, byna kinderen nog, en een weinig verder lag het lyk van
Adinda, naakt, afschuwelyk mishandeld …🔗
Er was een smal strookje blauw lynwaad gedrongen in de gapende borstwond
die een eind scheen gemaakt te hebben aan lange worsteling …🔗
Toen liep Saïdjah eenige soldaten te-gemoet, die met geveld geweer de
laatstlevende opstandelingen in 't vuur dreven van de brandende huizen.
Hy omvademde de breede zwaardbajonetten, drukte zich voorwaarts met
kracht, en drong nog de soldaten terug met een laatste inspanning toen
de gevesten stuitten tegen zyn borst.🔗
En weinig tyds later was er te Batavia groot gejubel over de nieuwe
overwinning die weer zooveel lauweren had gevoegd by de lauweren van 't
nederlandsch-indisch leger. En de Landvoogd schreef naar 't Moederland
dat de rust in de Lampongs hersteld was. En de Koning van Nederland,
voorgelicht door zyn Staatsdienaren, beloonde wederom zooveel heldenmoed
met vele ridderkruisen.🔗
En waarschynlyk stegen er in zondagskerk of bidstond uit de harten der
vromen dankgebeden ten-hemel, by 't vernemen dat "de Heer der
heirscharen" weer had meegestreden onder de banier van Nederland …🔗
"Maar God, met zooveel wee begaan,
Nam de offers van dien dag niet aan!"[147]🔗
* * * * *🔗
Ik heb 't slot der geschiedenis van Saïdjah korter gemaakt, dan ik had
kunnen doen wanneer ik lust gevoeld had in 't schetsen van iets akeligs.
De lezer zal opgemerkt hebben hoe ik verwylde by de beschryving van het
wachten onder den ketapan, als schrikte ik terug voor de treurige
ontknooping, en hoe ik over deze ben heengegleden met afkeer. En toch
was dit myn voornemen niet, toen ik begon over Saïdjah te spreken.
Want aanvankelyk vreesde ik, sterker kleuren noodig te hebben om den
lezer te treffen by 't beschryven van zoo vreemde toestanden. Gaande-weg
echter gevoelde ik dat het een beleediging voor myn publiek wezen zou,
te gelooven dat ik meer bloed had moeten brengen in myn schildery.[148]🔗
Toch had ik dit kùnnen doen, want ik heb stukken voor my liggen … doch
neen: liever een bekentenis.🔗
Ja, een bekentenis, lezer! Ik weet niet of Saïdjah Adinda lief had.
Niet of hy naar Batavia ging. Niet of hy in de Lampongs werd
vermoord met nederlandsche bajonetten. Ik weet niet of zyn vader bezweek
ten-gevolge van de rottingslagen die hem werden gegeven omdat hy Badoer
had verlaten zonder pas. Ik weet niet of Adinda de manen telde door
kerven in haar rystblok …🔗
Dit alles weet ik niet!🔗
Maar ik weet meer dan dat alles. Ik weet en kan bewyzen dat er veel
Adinda's waren en veel Saïdjah's, en dat, wat verdichtsel is in 't
byzonder, waarheid wordt in 't algemeen. Ik zeide reeds dat ik de namen
kan opgeven van personen die, zooals de ouders van Saïdjah en
Adinda, door onderdrukking werden verdreven uit hun land. Het is myn
doel niet, in dit werk mededeelingen te geven als voegen zouden voor een
vierschaar die uitspraak te doen had over de wyze waarop 't nederlandsch
gezag in Indie wordt uitgeoefend, mededeelingen die slechts kracht van
bewys zouden hebben voor wien het geduld had die met aandacht en
belangstelling doortelezen, zooals niet verwacht kan worden van een
publiek dat verstroojing zoekt in zyn lektuur. Daarom heb ik, in-plaats
van dorre namen van personen en plaatsen, met de dagteekening er by,
in-plaats van een afschrift der lyst van diefstallen en afpersingen,
die voor me ligt[149] getracht een schets te geven van wat er kàn
omgaan in de harten der arme lieden die men berooft van wat dienen moet
tot onderhoud van hun leven, of zelfs: ik heb dit slechts laten gissen,
vreezende my te zeer te bedriegen in het teekenen der omtrekken van
aandoeningen die ik nooit ondervond.🔗
Maar wat de hoofdzaak aangaat? O, dat ik opgeroepen werde om te staven
wat ik schreef! O, dat men zeide: "ge hebt dien Saïdjah verdicht …
hy zong nooit dat lied … er woonde geen Adinda te Badoer!" Maar
dat het gezegd werd met de macht en den wil om recht te doen, zoodra ik
zou bewezen hebben geen lasteraar te zyn!🔗
Is er logen in de gelykenis van den barmhartigen Samaritaan, omdat er
misschien nooit een geplunderd reiziger is opgenomen in een
samaritaansch huis? Is er logen in de parabel van den zaaier, omdat geen
landbouwer zyn zaad zal uitwerpen op een rots? Of—om aftedalen tot meer
gelykheid met myn boek—mag men de waarheid ontkennen die de hoofdzaak
uitmaakt van de Negerhut, omdat er misschien nooit een Evangeline
bestaan heeft? Zal men tot de schryfster van dat onsterfelyk
pleidooi—onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door strekking,
en indruk—zal men tot haar zeggen: "ge hebt gelogen, de slaven worden
niet mishandeld, want … er is onwaarheid in uw boek: het is een
roman!" Moest niet ook zy, in-plaats eener optelling van dorre
daadzaken, een verhaal geven dat die daadzaken inkleedde, om 't besef
der behoefte aan verbetering te doen doordringen in de harten? Zou haar
boek gelezen zyn, als ze daaraan den vorm had gegeven van een
processtuk? Is 't haar schuld—of de myne—dat de waarheid, om toegang
te vinden, zoo vaak het kleed moet borgen van de leugen?🔗
En aan sommigen die misschien beweren dat ik Saïdjah en zyn liefde heb
geïdealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer
weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neertebuigen
tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die
men "inlanders" noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zùlke
bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van myn boek,
geeft my een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, "het kwaad dat
gy bestrydt, bestaat niet, of niet in zoo hooge maat, omdat de
inlander niet is als uw Saïdjah … er ligt in de mishandeling der
Javanen geen zoo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uwen
Saïdjah juister geteekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen
niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus …🔗
Neen, Minister van Kolonien, neen, Gouverneurs-generaal in ruste, niet
dàt hebt gy te bewyzen! Ge hebt te bewyzen dat de bevolking niet
mishandeld wordt, onverschillig of er sentimenteele Saïdjahs onder die
bevolking zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van
lieden die niet beminnen, die geen droefgeestige liedjes zingen, die
niet sentimenteel zyn?[150]🔗
By een aanval op letterkundig gebied zou ik de juistheid der teekening
van Saïdjah verdedigen, maar op staatkundigen bodem geef ik terstond
alle aanmerkingen op die juistheid gewonnen, om te beletten dat de
groote vraag worde verplaatst op verkeerd terrein. Het is me geheel om
't even of men my houde voor een onbekwaam schilder, mits men my toegeve
dat de mishandeling van den inlander is: VERREGAAND! Zóó toch luidt het
woord op de nota des voorgangers van Havelaar, die door dezen getoond
werd aan den kontroleur Verbrugge: een nota die voor me ligt.[149]🔗
Maar ik heb andere bewyzen! En dit is gelukkig, want ook Havelaar's
voorganger kon zich vergist hebben.🔗
Helaas, als hy zich vergiste, werd hy voor die vergissing zeer hard
gestraft. Hy is vermoord.🔗